|
Dag 2 : De sluizentrap van Rogny |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
Om negen uur ontwaakt
iedereen en omdat we zowat in het 'midden
van nergens' liggen, zijn er ook geen
bakkers in de buurt. We gooien dan maar
meteen los om even verder weer aan te
leggen aan de rechteroever (k15), waar
het oorspronkelijke kanaal naar rechts
afbuigt om met het nodige bochtenwerk
uiteindelijk bij de sluizentrap van
Rogny uit te monden. Het staat nog met
een schot in verbinding met het nieuwe
kanaalpand, maar dat is slechts
symbolisch, want de natuur eiste al lang
weer zijn rechten op. Wat vroeger het
kanaal was, is nu een dicht begroeide
kronkelende sleuf, waarlangs we een
ochtendwandeling maken.
De werken aan het Kanaal van Briare starten bijna vierhonderd jaar geleden in 1604 onder Hendrik de Vierde. De godsdienstoorlogen zorgen dan voor grote onrust en de katholieke koning wil met een politiek van openbare werken de economische orde herstellen. Dit kanaal vormt er de aftrap van en is tevens het eerste Europese kanaal dat een waterscheiding overwint, namelijk die tussen het Loire-bekken en het Seine-bekken, zodat de hoofdstad gemakkelijker vanuit het Zuiden kan bevoorraad worden over het water. Vertrekkend vanuit de Loire te Briare zal het kanaal in Montargis aansluiten op de Loing-rivier, die zelf uitmondt in de Loire.
Onder leiding van ingenieur Cosniers werken er twaalfduizend arbeiders aan, die beschermd worden door nog eens zesduizend soldaten. Die bekampen manschappen van lokale edellieden, die woest zijn over de noodzakelijke onteigeningen en de verstoring van hun jachtgebied. De arbeiders worden uitbetaald in speciaal geslagen munten, die op de werf ingeruild worden voor vlees, brood en andere voor drank. Het werk is al een goed eind opgeschoten, als de koning in 1610 vermoord wordt en de nieuwe machtshebbers een ander beleid voeren. De werken vallen stil en de geldschieters worden geruïneerd. Pas dertig jaar later geeft Kardinaal Richelieu aan privé-ondernemers de toestemming om verder te bouwen, zodat het kanaal in 1642 opgeleverd wordt. De kostprijs voor de vijftig kilometer lange strook van Briare naar Montargis bedraagt een half miljoen pond, wat overeenkomt met één miljard huidige Belgische franken.
Het kanaal is een
juweeltje van zeventiende-eeuws
vakmanschap. Cosniers slaagt er immers
voor het eerst in rechthoekige sluizen
te bouwen, een exploot waarin zelfs de
beroemde baron Riquet, bouwer van het
‘Canal du Midi’ niet lukt. Daarom is
dat Zuiderse kanaal nog altijd voorzien
van ovale sluiskommen, gemakkelijker te
bouwen, maar onhandig voor de schippers.
Eerder dan paarden zijn het vooral
mensen die tot laat in de achttiende
eeuw de goederen van de Loire naar de
Seine trekken en zo verder naar de
hoofdstad. Vaak bestaat de cargo uit
wijn van de Sancerre-, Beaujolais- of
Languedoc-streken. Maar ook brandhout en
kolen, ijzer en planken wordt langs deze
weg getransporteerd. In 1863 koopt de
Franse Staat het Kanaal van Briare terug,
waarna besloten wordt het probleem van
de gevaarlijke aansluiting op de Loire
aan te pakken, wat zal leiden tot de
bouw van de kanaalbrug te Briare.
Een recht kanaalstuk
leidt ons naar de eerste van de zes
sluizen van Rogny, die zijn poorten al
uitnodigend spreidt voor ons. We komen
in het ritme, want we nemen ze allemaal
op nog geen uur tijd. Beneden aangekomen
meren we niet aan in het nieuwe haventje
aan stuurboord, maar even verder langs
de oude handelskade waar een
drinkwaterpunt en gezellige
picknickbanken wachten. Inge gaat brood
en charcuterie kopen, terwijl de anderen
de watervoorraad bijvullen. Zelfs dan
komt er geen druppel water uit de
kraantjes, zodat Inge besluit de
verhuurmaatschappij te telefoneren, die
belooft zo snel mogelijk een mecanicien
te sturen. Dan volgt eindelijk ons
ontbijt, inmiddels brunch, terwijl de
zon steeds vaker de bewolkte lucht
doorpriemt. Het is hoog tijd om de zeven
originele sluizen te gaan bezoeken, die
dit dorpje rijk is.
In
Rogny-les-Sept-Ecluses verblufte de
kanaalarchitect immers vriend en vijand
door de bouw van de grootste van de drie
‘sluistrappen’, die zijn kanaal rijk
is. Hierbij vaart men onmiddellijk van
de ene sluiskom in de andere. Cosnier
zelf somt als voordelen op dat de ene
sluiskom de andere zo ondersteunt zodat
het geheel haast onverwoestbaar is en
dat zo de helft van de sluisdeuren
bespaard wordt. Over het prestige van
dergelijk project voor de bouwheer rept
hij uiteraard met geen woord. Een ander
nadeel is dat boten elkaar niet kunnen
kruisen, zodat het tegenverkeer moet
wachten tot de collega's zeven keer
versast zijn. Maar in de tijd van
Cosnier bestond dat probleem haast niet.
Omdat het zou inhouden dat dan op de
terugweg op rivieren tegen de stroom in
zou moeten gevaren worden, werden haast
alle vrachtboten bij aankomst in Parijs
eenvoudigweg ontmanteld en als brandhout
gebruikt. Dat was economisch meer
rendabel dan een moeizame terugtocht.
In Rogny zijn de
sluiskommen aanvankelijk 28 meter lang
en 4,7 meter breed, zoals elders op het
kanaal. Na een nieuw decreet op de
binnenscheepvaart, worden ze in 1830
verlengd met 5 meter en verbreed met een
halve meter, de maat die ook gebruikt
was op het
nieuwe aansluitende Loire-kanaal.
Maar aan het einde van de negentiende
eeuw luiden de doodsklokken voor dit
staaltje van zeventiende-eeuws technisch
vernuft. Vanaf 1878 worden namelijk in
gans Frankrijk alle sluizen verlengd tot
de nieuwe standaardmaat die ‘Freycinet’
heet (naar de vooruitziende minister van
Openbare Werken) en die op het gehele
Franse grondgebied boten van 38 meter
lang op 5 meter breedte moet toelaten.
Aangezien de sluiskommen al hun maximale
lengte hebben, zit er niets anders op
dan een nieuwe reeks te bouwen. Dat
worden de huidige zes, die niet langer
aaneengeschakeld zijn en waarvoor men
enkele kilometers nieuw kanaal graaft,
die we vanmorgen bevaren hebben.
Gelukkig bleef de originele sluistrap bewaard als historisch monument. En het is bepaald indrukwekkend als je er nu voorbijglijdt op het nieuwe kanaal: een massief bouwwerk van 30 meter hoog en 250 meter lang, dat wel een trap voor reuzen lijkt met aan weerskanten kleine trapjes voor gewone stervelingen. We klimmen naar de bovenste sluis waar de gril in de opening uitnodigend los zit. Het duurt dan ook geen minuut of we staan in de eerste sluiskom, waarvan de muren met zeventiende-eeuwse technieken opgetrokken zijn uit een mengeling van natuursteen en metselwerk. Het geeft toch wat kriebels in de buik te wandelen in eenzelfde sluis, als waarin wijzelf tien keer per dag versast worden.
Wanneer we
terugwandelen naar onze boot, kruisen we
nog net de man van Charmes Nautiques,
die intussen de waterpomp weer aan de
praat gekregen heeft. Wat een service!
We kunnen dan ook onmiddellijk
vertrekken voor het vijf kilometer lange
kanaalpand, dat helaas nogal saai is.
Vanaf Rogny is het overigens niet langer
de vallei van de Trézée die we volgen,
maar wel die van de rivier de Loing. Die
is hier nauwelijks enkele meters breed,
maar zal gaandeweg aanzwellen tot
behoorlijke afmetingen naarmate we meer
naar de Seine afzakken.
Uit de eerste van de
drie sluizen nabij Dammarie-sur-Loing
(s19) komt net een aak gevaren, wat toch
wel indrukwekkend blijft. Daarna is het
onze beurt om versast te worden, tezamen
met een al even indrukwekkend stalen
zeejacht, dat bij het binnenvaren van
een sluiskom wel telkens onheilspellend
kreunt. Wanneer de daldeuren van de
sluis van Moulin-Brûlé openzwaaien
(s21), besluiten we even aan te leggen
om de oude sluizentrap te gaan bekijken.
We stappen met toestemming van de
sluiswachter over het nog zwevende
ophaalbruggetje dat met een luide 'boink'
neerslaat. Dit is Rogny in het klein,
want er zijn maar vier aaneengeschakelde
sluiskommen. Ook deze oudgedienden
werden op het einde van de negentiende
eeuw buiten gebruik gesteld en vervangen
door drie afzonderlijke sluizen met 'Freycinet'-maten.
Mits de nodige acrobatiek kunnen we hier
zelfs een kijkje nemen in een
aquaduct dat het water van de ene hoger-
naar de lagergelegen sluiskom voert. De
samengeperste lucht ontsnapt hierbij via
een roostertje, zodat de waterstroom
niet turbulent wordt.
Op de terugweg wacht
ons nog een verrassing, als we onze
Espade dwars over het kanaal zien
drijven, trekkend aan zijn boegtouw.
Gevolgen: (1) één Steven-de-piketklopper
met rode kaken en de dagelijkse
piemelprijs, (2) één piket kwijt, wat
ons de rest van de reis parten zal
spelen en (3) één Tanja met een
pijnlijk vertrokken gezicht want
uitgegleden bij het tegenhouden van de
boot.
Hier ligt het kanaal
iets hoger dan de omgeving tegen de
helling van een zwak heuveltje waardoor
je een panoramisch zicht krijgt op de
omgeving. In de volgende sluis (s22) is
het een tiental minuutjes wachten op een
collega, zodat de sluiswachter zich niet
al te moe moet maken en er bovendien
water gespaard wordt in het hogergelegen
kanaalpand. Twee sluizen verder naderen
we in een brandende zon rond vijf uur
Châtillon-Colligny, waar we zullen
aanmeren voor de nacht. Inge en Tanja
worden met hun fietsen aan wal gezet,
zodat zij alvast inkopen kunnen doen,
terwijl Wim e
n Steven een idyllische
'slaapplaats' zoeken. Zij komen even verderop nog een
autootje van de VNF (Voies Navigables de
France) tegen dat over het jaagpad raast
en bij ons halt houdt. De bestuurder, de
sluiswachter van de volgende sluis, is
zichtbaar opgelucht als hij hoort dat
wij het vandaag voor bekeken houden. En
zijn vriendinnetje blijkbaar nog veel
meer…
Om zes uur leggen we
tenslotte aan bij een brede overloop van
het kanaal naar de Loing, die daar de
rechteroever raakt. Steven lost het
probleem van de 'verdwenen' piket
elegant op, door een rood geverfde
markeerstok achterover te drukken, die
hij
vervolgens de oever inheit. Intussen
zijn ook de vrouwen gearriveerd en
kunnen we heerlijk verpozen bij het
geklater van het overtollige kanaalwater
over de dam, dat vervolgens over een
groot natuurstenen plateau naar de
rivier terugstroomt.
Maarten en Alexander,
maar ook Wim dobberen wat rond in het
kleine rubberbootje. Die laatste heeft
nog energie over voor een solitair
fietstochtje naar het centrum van
Châtillon-Coligny en fotografeert er
de
ingangspoort van de stad die aanleunt
tegen de kerk. Het dorpje is ook een
prachtige wasplaats rijk naast een
camping aan de oevers van de Loing, waar
een dammetje een klein reservoir vormt.
Het avondeten bestaat uit worst met
appelmoes en aardappelen, onder het
gezang van smartlappen uit Wims haast
onuitputtelijke repertoire. Na een
spelletje mens-erger-je-niet vallen we
rond elven doodmoe in onze bedden.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |