|
Dag 3 : Montargis en het Kanaal van Orléans |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
Wim en Maarten zijn
om half acht al wakker en gaan samen in
het dorp croissants en vers brood halen;
met het oudbakken maken ze de eendjes
blij. Nadat iedereen met moeite een voor
een uit zijn nest gekropen is, meren we
af om negen uur. Even verder zwaait de
sluisdeur van Lépinoy (s25) al voor ons
open. Deze is tezamen met de volgende,
die van Montbouy (s26) merkelijk dieper
dan de andere met ongeveer vijf meter
verval. Tijdens het varen kunnen we al
op het bovendek ontbijten: dit belooft
een warme dag te worden!
In Montbouy leggen we
aan bij de 'halte nautique' en gaan op
zoek naar de gallo-romeinse opgravingen.
Een vriendelijke inwoner wijst ons
vriendelijk de weg. Pas bij thuiskomst
leert een ter plekke gekochte gids dat
de brave man ons totaal de verkeerde
richting uitstuurde. Maar we treuren
niet, want het is intussen al erg heet
geworden en de asfalt zindert onder onze
voeten. We maken van de nood een deugd
en slaan proviand in 'chez Nadine'. Het
kuisen van de boot met de waterslang
ontaardt al snel in een complot tegen
Steven, die van Wim een ijskoude straal
in zijn nek krijgt, waarbij Inge net op
het goede moment het fototoestel afdrukt.
Even daarna laat zij dan weer alle
wasspelden te water.
Er mogen dan wel geen
opgravingen te vinden zijn, het
gallo-romeinse theater staat wel op onze
plannetjes, net voor de brug twee
kilometer verderop. Steven en Maarten
worden als voorpost uitgestuurd om geen
tweede keer met zijn allen van een kale
'historische' reis weer te keren. Zij
roepen dat het amfitheater inderdaad
ligt waar het hoort te liggen en even
later gaan Tanja en Wim hen achterna.
Inge blijft ter plekke om de boot aan de
kant te houden totdat de andere
opvarenden weergekeerd zijn.
Maar die zijn nog maar net over de gesloten toegangspoort van het amfitheater geklauterd en genieten van het bouwwerk uit de tweede eeuw dat plaats bood aan 4000 toeschouwers, wanneer een paniekerig gillende Alexander komt aangelopen. Er moet dringend hulp komen, want de boot is blijkbaar onbestuurbaar geworden. Van de brug is het spektakel anders wel de moeite waard: Inge met de Espade dwars over het kanaal, wanhopig de motor de hoge toeren injagend en gillend: "Ik houd hem niet meer ! Ik houd hem niet onder controôôôôôle!" We rennen de arme stuurvrouw tegemoet, waarbij tijdens het tumult ook nog eens een asbak in het kanaal verdwijnt. Als we zo doorgaan, houden we straks geen inboedel meer over… Wim neemt het stuur over, duwt de boeg zachtjes in de malse oever, draait het roer volledig om en dwingt de achtersteven tegen de kant door zachtjes in vooruit te zetten. Inge wordt inmiddels gereanimeerd.
Na het korte bezoek
aan de arena varen we een uur lang
zonder een enkele sluis, terwijl de
bebossing dichter en dichter wordt en de
Loing diep naast de rechteroever stroomt.
We laten Montcresson links liggen,
kruisen een vrachtschip (een 'péniche')
en varen tot enkele honderden meters
voor de sluis van Montambert (s27), waar
we voor de middag aanmeren. Aan de
linkeroever ligt eens te meer een oud
kanaalpand tussen het groen verscholen,
dat leidt naar een in onbruik geraakte
sluizentrap. We trekken met de fiets op
onderzoek uit. Dat vereist enige
reorganisatie, omdat Maartens fiets lek
gereden is door zijn ontelbare bruuske
remmanoeuvres op grind. Daarom neemt hij
Alexanders fiets, die zelf als lichtste
achterop bij Wim kruipt. Het
bagagedragertje heeft echter maar twee
stangen, zodat zijn zitvlak behoorlijk
toegetakeld wordt. Bovendien is zijn
lijden nutteloos, want de sluistrap
blijkt net iets te goed verscholen te
liggen in het weelderige groen. Dan maar
weer teruggefietst naar ons bootje
omhoog langs de vier sluizen, waarlangs
we zo dadelijk weer verder naar het
Loire-dal afdalen. Weer thuis lezen we
in een naslagwerk over het kanaal dat er
ook helemaal niets meer te zien was: de
in onbruik geraakte sluistrap werd
volledig ontmanteld om de natuursteen te
verkopen …
Voor de eerste sluis ligt een steiger waar we willen wachten tot de deuren openzwaaien, maar daarbij passeren we een elektronisch oog dat de sluis meteen in werking zet. Onze Nederlandse collega's met hun stalen paleis glijden mee de sluis in, knarsen weer dat het een lieve lust is, maar weigeren ook maar één handje toe te steken bij het versassen. Bij de laatste van de vier sluizen verwaardigt zich zowaar toch één van de meisjes om een voet aan wal te zetten … om ons te komen vragen of we geen koud biertje hebben voor hun kapitein! Tja, zo filantroop zijn we dan ook weer niet om hen toch een biertje te schenken, ofschoon ons ijskastje ervan bulkt.
Een onoverzichtelijke bocht in een betrekkelijk smal kanaalstuk (k45) brengt hen in nog meer problemen. Daar ligt namelijk een andere pleziervaarder tegen de kant terwijl hij zit te vissen. Wanneer wij hem kruisen duikt net een achtendertig meter lange aak op, die wij net kunnen ontwijken. Gespannen kijken we over onze schouders naar het tafereel dat zich daar afspeelt: een briesende binnenschipper die de onvoorzichtige visser de huid vol scheldt terwijl hij er net in slaagt zijn kolos zonder averij door het nauwe gaatje te wringen; de visser die zijn rustige middag wreed verstoord ziet en het (dorstige) Hollandse yacht tegen de kant geduwd met de motoren vol achteruit. Wij dobberen even om eventuele schipbreukelingen op te vissen, maar kunnen onverrichterzake onze reis verder zetten.
We stomen nu naar Montargis, de eerste grote stad op onze reis en zoeken daarbij de koelte op van de schaduw die de bomen aan bakboord over het water werpen. Bij Conflans werpt de rivier Ouanne zich in de Loing en verdubbelt daar het debiet van. Vervolgens loopt deze vlak naast de rechteroever, zodat de kanaalarchitect er een kanaaloverloop plande. Bij een 'passerelle' (k50) zien we een alleraardigst huisje dat haast bezwijkt onder de woekerende klimplanten. Steven heeft hier weinig oog voor, want die zit op de voorplecht (bij dit type boten ook wel oneerbiedig 'badkuip' genoemd) de band van Maarten te herstellen. Omdat hij dat zo goed kan, valt dit karweitje hem voortaan nog vaak te beurt.
Met Inge of Tanja
achteraan aan de touwen, Steven vooraan,
Wim aan het stuur en een van de kinderen
op de sluiskade om de touwen rond de
meerpaal te leggen, nemen we de twee
sluizen van Montargis. De eerste (s33)
vervangt de originele dubbele sluis en
zakt daarom bijna vijf meter, de tweede
(s34) doet het bescheidener met ruim
twee meter. De functie van deze sluizen
was tweeledig. Enerzijds vormden zij het
einde van het kanaal van Briare, vanwaar
de schippers de Loing zelf moesten
trotseren richting Seine. Anderzijds
regelde de onderste sluis (s34) de
waterstand van alle aangelanden, waar
zich molenaars en leerlooiers gevestigd
hadden. Deze sluiswachter had het dan
ook niet onder de markt om zijn sluis zo
fijn af te stellen dat de aangelanden
niet onder water gezet werden, maar dat
anderzijds de schippers niet vastliepen.
Montargis wordt het 'Venetië van de
Gâtinais' genoemd, de streek waar we
ons nu bevinden. Tussen de twee sluizen
wordt al meteen duidelijk waarom: bij
een treurlinde leidt een vertakt systeem
van zijkanaaltjes de stad in. Mooi
gerestaureerde huizen in vakwerk
weerspiegelen zich in deze vlietjes en
beschikken vaak over een wasplaats en
een achterdeur vanwaar je zo op je eigen
bootje kan stappen.

De
doortocht van ons
kanaal doorheen de stad is heel wat
minder spectaculair: het gaat door
eentonig verharde oevers maar wèl onder
een bebloemde brug (k53) naar de
noorderbuurt, waar we rond vier uur
vlakbij de drukke verkeersader van een
brug bij een kaal opslagterrein
aanleggen. De fietsen worden van stal
gehaald en dan gaat het richting
binnenstad. Die is zonder meer prachtig:
pittoreske straatjes, mooie doorkijkjes
met bebloemde bruggetjes en fonteintjes.
Op culinair gebied begeleidt Inge zowel
Steven als Tanja bij de keuze van de
juiste geitenkazen, terwijl Wim verrukt
is met zijn vondst van een prachtig boek
over de kanalen van Briare, Loing en
Orléans in de aangrenzende
krantenwinkel. Alexander mag op zijn
beurt dan weer poseren voor een
gelijknamige kledingswinkel. Jammer (?)
wel voor fotograaf Wim dat net op dat
moment een strak in de kleren gestoken
blondine voor de lens loopt.
Behoorlijk gepakt en gezakt fietst de groep met de nodige omwegen vanwege de talrijke eenrichtingsstraten richting boot, waarbij we zowaar voorbij een supermarkt 'Monoprix' komen. Het uitgelezen moment om onze slinkende drankvoorraden aan te vullen, een nieuw asbakje te kopen ter vervanging van hetgeen dat Wim te water liet, houtskool voor de barbecue en een trechtertje, zodat we onze waterflessen wat eleganter kunnen bijvullen met de rode streekwijn uit de plastic vijfliterkruik.
We meren af om iets na zessen en dan gaat het langs het een tijdje langs het hier wel erg brede kanaal temidden van deprimerende zware industrie en opslagplaatsen met de bijhorende spoorlijn. Dat kanaal zelf heet hier nog steeds 'Canal de Briare', maar dat is lange tijd anders geweest. Bij de oplevering in 1642 eindigt het kanaal van Briare immers in de haven van Montargis, vanwaar de navigatie verder gezet wordt over de rivier de Loing. Een halve eeuw later wordt een nieuw kanaal in gebruik genomen van Orléans naar Montargis dat eindigt in het iets noordelijker gelegen Cepoy. Bij het begin van de volgende eeuw bouwt de ingenieursfamilie Règemorte tenslotte een derde kanaal dat het kanaal van Orléans vanaf Cepoy verbindt met de Seine. Zij hebben er alle belang bij om de resterende kilometers Loing tot Montargis snel te kanaliseren, zodat zij ook de scheepvaart vanuit het kanaal van Briare comfortabel naar hun eigen kanaal kunnen leiden. Dat 'nieuwe kanaal(tje)' komt er in 1721. En sindsdien staat het 'Monument de la Jonction' nog steeds in Montargis, ofschoon latere cartografen besluiten om het verbindingskanaaltje bij in te lijven bij het kanaal van Briare zodat de 'Jonction' van de drie kanalen (van Briare, van de Loing en van Orléans) voortaan bij Buges ligt. Wij varen deze kruising van de drie kanalen even later voorbij (k57), maar hadden het ons wel wat idyllischer voorgesteld. Links een lange metalen loopbrug, met daarachter een enorme vervallen fabriek en rechts een lage overloop naar de Loing die het waterniveau in dit waterbekken regelt.
Bij de vorige sluis (s35) in de nabijheid van de statige papierfabriek die daar in de achttiende eeuw werd gebouwd, heeft Alexander nog een stunt uitgehaald door net iets te onvoorbereid op de sluiswal te springen (het moet gezegd, onder enig aansporen van Tanja). Hij maakte hierbij zoals een volleerde voetballer een prachtige 'sliding' die op het grind evenwel resulteerde in een minder mooie schaafwonde. Daardoor misten we het zicht op de blauwe oosterse bollen die boven Châlette (k55) uittorenen en de daken van de kerken sieren, die daar opgericht werden door de Oekraïense en Russische gemeenschap die zich hier in de jaren twintig vestigde. Maar dat zal Alexander worst wezen: hij heeft de piemelprijs !
Even voorbij de
aansluiting van de drie kanalen leggen
we aan bij een recreatiepark, waar de
kinderen hun hartje kunnen ophalen in de
speeltuin. Steven slaat de piketten,
waarschuwt de anderen dat er netels
staan en roept vervolgens 'wahoe!', als
hij er zelf intrapt. Een fietstochtje
voert ons in de lage avondzon
langs het
oude kanaal van Orléans, dat daarnet al
even ter sprake kwam. In 1676 krijgt een
houthandelaar de toestemming om een
dertig kilometer lang kanaaltje te
graven, dat zijn hout van het woud van
Orléans naar Montargis moet brengen.
Enkele jaren later staat hij het af aan
de Hertog van Orléans, de broer van
Lodewijk de Veertiende. Die is het
gesukkel van de schepen op de Loire
tussen Briare en zijn stad beu: in de
zomer staat de rivier haast droog en in
de winter gevaarlijk hoog of anders
waait de wind wel weer verkeerd. Het
houtkanaaltje wordt daarom verbreed,
uitgediept en verlengd tot bijna tachtig
kilometer. Zo vormt het in 1692 een
tweede verbinding tussen de Loire en de
vallei van de Loing. Het wordt dan ook
hevig bekampt door de heren van het
Kanaal van Briare, wier tolinkomsten
worden afgeroomd. Door het verdwijnen
van de scheepvaart op de Loire en het
feit dat het nieuwe Loire-kanaal maar
tot in Briare loopt, heeft het Kanaal
van Orléans onvoldoende bestaansreden
en wordt het gedeclasseerd in 1954.
Alhoewel de
restauratie van bepaalde delen al een
heel eind opgeschoten is, heeft het
gesloten kanaal hier nog charme te over.
We vertrekken langs de linkeroever bij
de oude fabriek. Inge toont haar unieke
rennerstalenten door zelfs af te stappen
bij een forse afdaling van toch wel twee
meter. Ze schuifelt ongecoördineerd
naar beneden met de fiets aan de hand;
maar het charmante hoedje dat ze hierbij
draagt, maakt dan weer veel goed. Het
kanaal zelf is ook grandioos:
overhangende bomen, drijvende
waterplanten, dobberende eenden en
zwanen: het lijkt wel een verloren
paradijsje. Bij de eerste sluis ('Ecluse
de la Folie)' maken we rechtsomkeer en
rijden over de prima met fijn grind
heraangelegde jaagpaden, waarop het
rustig 'peddelen' is. Weer aan de
kruising gekomen van de drie kanalen,
negeren we het bordje dat ons de toegang
verbiedt tot de lange stalen loopbrug
die ons weer bij het vertrekpunt brengt.
Iets na achten brengt een strook van twee kilometer majestueus kanaal ons in een verkoelend avondbriesje bij de aanlegplaats voor vannacht (k2). Die kiezen we met zorg uit net voor de sluis van Cepoy onder een rij paardekastanjes, waar een open plek er gewoon om smeekt er een barbecue te houden. Terwijl de kinderen de grote rubberboot opblazen en even later in het stikdonker op het kanaal rondjes draaien, hijsen we onze tuinset aan land en willen aan het barbecuen slaan. Helaas moet deze goedkope campinguitvoering eerst nog ineengeknutseld worden en brandt vervolgens de houtskool te ver op, zodat we de hamburgers en kalkoenfilets pas na tienen achter de kiezen kunnen duwen. Geen potten gebroken: er is wijn genoeg om ons zolang op dreef te houden. Door de lange wachttijd kan Tanja dan ook geenszins een excuus verzinnen voor het nieuwe soort aardappelen waarmee zij het hongerige groepje hoopt te verblijden. Hard als beton offreren we hen de volgende dag aan de plaatselijke 'Jeu de Boules'-vereniging. Intussen wappert/wakkert Steven het vuurtje aan tot de gensters in het rond springen. We keuvelen nog gezellig tot middernacht, waarna we eens te meer doodop naar onze kajuiten trekken. Alexander woelt en slaapwandelt zowat de hele nacht, wat tot gevolg heeft dat Wim wakker gehouden wordt door Inge die denkt dat ze inbrekers hoort.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |