Dag 4 : Over het Kanaal van de Loing naar Nemours

 

Terug naar het menu van het vakantieverhaal Naar dag 5

 

Wim wordt om acht uur definitief wakker gedonderd door een geladen 38-meter spits die op een meter van het zijraampje voorbijglijdt. Hij gaat dan maar knapperig brood kopen bij de bakker aan de sluis van Cepoy en maakt een ritje doorheen het ontwakende dorpje met een wat inspiratieloze kerk. Steven probeert zijn geluk in een piepklein tuincentrum op zoek naar een vervangingspiket maar vangt bot.

Even voor tien varen we de sluis van Cepoy in (s1), waarvan de sluiswachter vraagt of we even willen wachten op een boot in aantocht. Ach, waarom niet, we hebben geen haast en een kwartier krijgen we het gezelschap van een piepklein bootje (een 'mug' dus), waarmee we onze reis op het 'echte' Kanaal van de Loing beginnen. Door het succes van zijn eerste kanaal, dat van Orléans, krijgt de Hertog van Orléans de smaak te pakken en zet hij zijn ingenieurs aan het werk om een tweede probleem op te lossen. Vanaf Montargis bevaren de schepen op weg naar de Seine immers de Loing-rivier. Dat is geen makkie, omdat die regelmatig overstroomt en talloze dammen telt bij de watermolens. Daar moeten de schippers telkens weer negotiëren met de molenaars om water te ‘kopen’ om over deze obstakels te geraken. Zo kan een reis over dit stuk soms oplopen tot anderhalve maand! Het valt dan ook te vaak voor dat handelaars die de Seine afvaren, stranden bij de monding van de Loing en noodgedwongen daar hun lading verkopen aan een veel te lage prijs. De Hertog verkrijgt na jarenlang politiek getouwtrek eindelijk de nodige vergunningen, waarna vader en zoon Règemorte de bouw van het vijftig kilometer lange kanaal leiden. Een klus die door de infanterietroepen in slechts drie jaar geklaard wordt! Het kanaal telt bij aanleg nog zeven stroken waar de rivierbedding gebruikt wordt. Er vaart dan ook een watertaxi, die voorrang heeft op de handelsschepen en in slechts vijf dagen de verbinding maakt tussen Briare en Parijs. Na aankoop door de Staat in 1863, wordt het Loing-kanaal gemoderniseerd door het verhogen van de capaciteit van de sluizen en door de aanleg van nieuwe kanaalstroken. Zo bevaart men sindsdien de rivier zelf nog maar tweemaal: bij Nemours en bij de monding in de Seine te Saint-Mammès.

Dit kanaal onderscheidt zich van dat van Briare door zijn grotere verscheidenheid in landschappen. Op deze strook is de linkerkant gehuld in het groen van vele soorten loofbomen, terwijl de rechteroever halfopen is en regelmatig doorkijkjes biedt op de akkers en weiden. Bij de tweede sluis (s2) is het even wachten op een boot die net opwaarts versast wordt, waarna de 'mug' een eeuwigheid neemt om ons weer bij te benen. Het scenario herhaalt zich bij de sluis van Montoban (s3), die voorzien is van een antiek koffiepotachtig mechanisme om de sluisdeuren te openen. Onder een betrokken hemel met opklaringen maar bij een aangenaam temperatuurtje tuffen we naar de vierde sluis van vandaag waar we omstreeks half twaalf aankomen. Het sluiswachterhuisje van weleer is in een lamentabele toestand maar heeft daardoor des te meer uitstraling. De sluis zelf heeft zoals alle sluizen van het Kanaal van de Loing geen aquaducten, die het water haast ongemerkt de sluiskom laten instromen, maar betrouwt volledig op de schotten in de sluisdeuren, die veel meer turbulentie geven.

Op het middaguur leggen we aan voor de sluis van Brisebarre (s6) om een kijkje te gaan nemen bij de vermolmde loopbrug die leidt naar de molen 'la Goulette', die gebouwd werd op een eilandje waar de Clery-rivier uitmondt in de Loing. Helaas is dit privé-terrein, zodat we rechtsomkeer maken en via de sluisdeuren naar de andere kant van het kanaal wandelen. Daar belooft een bevlogen auteur van de in Montargis gekochte kanaalgids 'des vues plongeantes à celui qui voudrait escalader le chemin'. Wat we dan ook terstond doen om vervolgens niet meer te ontdekken dan het tevens vermelde monolithische kruis op de top. De 'vue plongeante' is ofwel een hersenspinsel ofwel een herfsttafereel, wanneer de bomen geen bladeren meer hebben.

Niet getreurd echter: de sluiswachter respecteert hier uitzonderlijk goed de openingsuren van de sluizen en zwaait om stipt één uur de deuren voor ons open. Nu volgt een kaarsrecht stuk met aan weerskanten een platanenrij: het zou warempel het 'Canal du Midi' kunnen zijn! Even verder volgt rechts de molen van Nançay, die bijna driehonderd jaar geleden al het cement vermaalde voor de bouw van het kanaal. Nu duiken de dorpskinderen er van de brug in het kanaalwater (k13). Dit kanaalpand zorgde overigens voor de nodige hoofdbrekens, omdat men het hier niet in de onstabiele rotswand kon uithakken. Er werd dan maar geopteerd voor een verhoogd tracé dwars door een moerasgebied, waarbij de wegschuivende bodem extra moest versterkt worden.

Even voorbij Néronville voert een klein aquaduct ons kanaal over de rivier Fusin, die zich aan de rechterkant bij de Loing voegt. En weer hebben ons al die tijd blauwe reigers vergezeld die klapwiekend opvliegen wanneer je ze nadert. Omdat het tafereel zich eindeloos herhaalt langsheen heel het kanaal, menen we tenslotte dat het arme dier, om in zijn levensonderhoud te voorzien, ingehuurd werd door de toeristische dienst van de Gâtinais om telkens weer hetzelfde kunstje te vertonen. Het rotbeest zal zich hierbij overigens maar eenmaal laten fotograferen

Voorbij het sas worden we ongewild postume ramptoeristen. Het nabijgelegen Château-Landon was immers geroemd om zijn witte steen, waarmee de Parijse monumenten opgetrokken werden. De rotswanden werden zo op den duur onstabiele 'gatenkazen'. En in de winter van 1910 was het zover: hevige overstromingen deden de rotswand opensplijten, die naar beneden stortte tegen de vijf huizen van het gehucht. Die werden niet verpletterd maar letterlijk 'uitgesmeerd': kelder-, beneden-, boven- en zolderverdieping lagen mooi op een rijtje. De catastrofe eiste zeven mensenlevens, het kanaal werd geblokkeerd over een lengte van 200 meter en de waterverplaatsing wierp een vrachtboot in de wei en rukte de deuren van de sluis. Men moest in zeven haasten een geïmproviseerde spoorlijn aanleggen om het kanaal op efficiënte wijze van de honderden tonnen brokstukken te bevrijden.

Gelukkig zijn de rotswanden ons genadig en varen we even later voorbij de kade waar de witsteen geladen werd. Tot 1880 gebruikte het kanaal hier overigens gewoon de rivierbedding naast ons en was de volgende sluis (s8) niet meer dan een wachtsluis, die gebruikt werd bij een te hoge waterstand in de rivier, maar in normale tijden gewoon openstond. Dat verklaart ook haar huidig miezerig verval van een halve meter. De volgende vijf kilometer vormen een schril contrast met de lieflijke omgeving die we intussen gewoon zijn. Château-Landon bezit immers ook een papierfabriek, waarvan honderden balen te recycleren papier (men noemt ze hier 'des biftecks') getuigen. Dan volgt een kolossale suikerfabriek die een oorverdovend lawaai produceert met silo's, laadkades en schoorstenen. Ondanks al dit lawaait valt Inge in slaap en wordt pas rond de klok van drie wakker als we even moeten wachten bij een steigertje voor de sluis van Beaumoulin (s9). Daar ligt zowaar ook een waterslang klaar, zodat we twee vliegen in een klap slaan door de wachttijd te benutten om onze lege watertanks te vullen. Aan de overkant van het kanaal bewaakt een versterkte molen als sinds de middeleeuwen de Loing, waarbij tol geïnd werd, bevriende schippers doorgelaten werden en de andere de doorgang ontzegd. Het kanaal scheidde later de molen van zijn aanhorigheden, de versterkte hoeve aan de linkerkant.

Het kanaal wordt hier wel heel erg breed en daardoor nog minder attractief, zeker nu over een breedte van nog geen kilometer het kanaal, de rivier, een drukbereden weg en een spoorweg dezelfde valleibodem volgen. Tijdelijke stuurman Alexander geniet dan weer met volle teugen! We varen onder de brug van Bagneaux, waar de architecten bij de plechtige opening wel door de grond konden zakken van schaamte. Een spits zou als eerste de brug onderdoor gaan onder het gejuich van inwoners en het waakzame oog van de verzamelde pers. Enkele meters verder was het feest afgelopen, toen het gevaarte vast kwam te zitten onder de te lage brug. Oeps, foutje !

Intussen zit zowat de hele bemanning te suffen door het gebrek aan spektakel en we leggen vlak voor Nemours aan (k28) bij een plaats waar de Loing zich tot een vijver verbreedt en sinds het einde van de negentiende eeuw door een dam van het kanaal gescheiden wordt. Hier luieren we, drinken een biertje en dobberen op de rivier met de rubberboot. Alexander zit het ene moment nog hoog en droog op een betonnen muurtje maar zet vervolgens een misstap bij het 'inschepen' van de rubberboot en dondert met kleren en al de rivier in. Iets of wat beduusd aanvaardt hij de dagelijkse piemelprijs. Deze tewaterlating is ook het sein van vertrek en we varen Nemours in, tweede grote stad van de reis. Dit is wel een andere binnenkomst dan in Montargis: overal groen, pleintjes, spelende kinderen en een platanenrij die het kanaal afzoomt.

Bij de laatste sluis van vandaag (Les Buttes, s12) meent de sluiswachter, die er een korte dag van wil maken, ons te snel af te zijn. Wim ziet hem van zijn hoge stuurplaats echter nog net het café invluchten, waar dappere Inge hem even later vanachter een reusachtige pint wegkaapt en meetroont naar de sluisdeuren. De man neemt het echter sportief op en versast ons zonder morren, waarna we even het kanaal verlaten om scherp rechts de Loing op te draaien, waar eeuwenlang de haven gevestigd was. Aan stuurboord ligt de 'Champs de Mars', waar de stedelingen zich eeuwenlang oefenden in het boogschieten. Aan bakboord bewaarde de lage rij huisjes met steigertje en bootje het karakter van de vroegere havenbuurt.

We lezen in onze vaargids dat er hier een 'halte nautique' is… In praktijk komt dit neer op één vlottende steiger en een drukkraan waar je je duim op blauw drukt om de waterslang onder druk te zetten. Maar goed, de ligging nabij een parkje met een mini-speeltuintje is prachtig en het is er voor een stad haast akelig stil. Geen knetterende brommertjes, razende auto's of tierende kinderen die onze rust vannacht zullen verstoren! Rond zeven uur wandelen we naar het centrum waar we een eenvoudige pizzeria uitkiezen. Alexander is doodmoe en valt prompt in slaap met zijn mond wagenwijd open. We kunnen het niet laten er een koekje in te stoppen om er vervolgens een genante foto van te nemen. We strompelen weer naar ons bootje, waar we nog wat drank verstouwen op het bovendek en de raadselachtige insecten bestuderen die gelokt worden door onze olielampjes: net wormpjes met doorschijnende vleugelimplantaten !

 

Terug naar het menu van het vakantieverhaal Naar dag 5