|
Dag 5 : Van het Kanaal van de Loing naar de Seine |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
De wonderen zijn de
wereld nog niet uit, want 's morgens
stellen Maarten en Alexander zowaar zelf
voor om brood te gaan kopen met de fiets.
Gewapend met een boodschappenbriefje en
geld trekken ze de stad in, terwijl de
rest van de bemanning de boot een
grondige opknapbeurt geeft. Het arsenaal
aan rubberen opblaasbaar speelgoed (neen,
niet dat) dat tot dan ronddobberde in de
plas water onder de achterklep, wordt
gesorteerd en netjes opgestapeld onder
het 'dashboard' van het bovendek. We
ontbijten daar ook (op het bovendek,
niet onder het dashboard) en Alexander
eigent zich meteen voor de derde keer op
rij de piemelprijs toe door een vol glas
cola te laten uiteenspatten op het net
geschrobde dek.
Iets na tienen
lichten we het spreekwoordelijke anker
en varen Nemours uit over een 'râcle',
dat wil zeggen een strook waar het
kanaal de originele rivierbedding
gebruikt. Die strook wordt beschermd
door de wachtsluis van Fromonville (s18)
die bij deze normale waterstand gewoon
open staat. Toch blijft het een
tegennatuurlijk gevoel, zo achteloos een
sluis doorvaren die aan beide kanten
open staat. Links van de sluis ligt een
lange dam met de 'Moulin Rouge' die hier
al maalt van in 1450. Blijkt dat de naam
die ook gedragen wordt oor het
liederlijke oord in Parijs allerminst
passend is: een 'rode molen' krijgt
immers zijn naam pas als de molen een
van de werklieden bij de schouder grijpt
en mee vermaalt, zodat het meel
bloedrood kleurt… Frankrijk is
overigens behoorlijk wat rode molens
rijk …
We verlaten de
rivierbedding langs stuurboord en meteen
keert de natuurpracht weer met links een
groot bos tussen het kanaal en de Loing.
De huizen aan de rechterkant hebben
allemaal een poortje in de achtertuin
dat op het jaagpad uitgeeft via een
bruggetje over een gracht waar de
waterkers welig tiert. De volgende
sluizen (s14, s15) nemen de nodige tijd,
omdat we achter een spits zitten die de
hele sluis vult. Maar daarna wordt het
kanaal fabuleus mooi met overhangende
bomen die kriskras schaduwvlekken op het
wateroppervlak werpen.
Onder een stralende
middagzon leggen we aan net voor de
sluis van Episy (s16) dichtbij de
kanaalbrug over de Lunain-rivier. De
spits is alvast de sluis ingevaren om
meteen na de middagpauze versast te
worden. Maarten en Alexander onderzoeken
nauwgezet een kanaaloverloopje, waarna
we op pad gaan om vlakbij een intact
achttiende-eeuws kanaal te bezoeken. Het
originele kanaal staat hier immers haaks
op het huidige kanaalpand dat dateert
uit 1882. Bovendien kruist het in dit
moerassige gebied de Lunain-rivier op
gelijke hoogte, dus niet via een
kanaalbrug. Ingenieur Règemorte bouwt
daarom in 1723 eerst een dam dwars op de
Lunain, waardoor er steeds genoeg water
in het kanaal staat. Het overschot aan
aangevoerd water ontsnapt via twee
regelbare schotten in de dam weer naar
de rivierbedding en vervolgt zijn weg om
even verder samen te vloeien met dat van
de Loing.
Aan de andere kanaaloever
overspant een brug de rivier, waarover
de scheepstrekkers lopen die al hun
krachten nodig hebben om het schip dat
dwars op de rivierstroming komt te
liggen, in bedwang te houden. Bovendien
is er ook nog een egoïstische molenaar,
die om zijn molen te voeden de schotten
vaak zover openzet dat het waterniveau
te ver zakt en de schepen stranden bij
de passage. Daarom wordt twintig jaar
later speciaal voor hem even verderop
een derde schot gebouwd, dat voortaan
het water voor de molen zal voeden. We
lopen over de dam naar het oude kanaal
dat ligt te schitteren in de zon en
herinneringen oproept aan dat van
Orléans. De omgeving is ronduit
fabuleus en we vergeten even dat we hier
zowaar op privé-terrein lopen tot we
bij het oude sluishuis komen dat nog
steeds bewoond is. We keren op onze
stappen terug, snuiven nog een laatste
maal de achttiende-eeuwse sfeer en
klauteren weer over de pilaren van de
dam de rivier over.
Even na enen worden we versast en komen terecht in een kanaalpand dat de vroegere 'râclé' (zie hoger) aan bakboord vervangt. Dat was in lang vervlogen dagen de verzamelplaats voor de steenkoolschepen, die een volgnummer kregen voor afvaart naar Parijs. Omdat het aanbod de vraag vele malen overtrof, liep die wachttijd soms op tot anderhalf jaar! Dat moet hier drummen geweest zijn …
Bij Ecuelles (s17) zitten we verdorie toch weer niet achter die aak van daarnet zeker, maar dan nu ook nog in combinatie met een yacht dat onze richting uitkomt. Ach, dan genieten we intussen toch van het zonnetje dat telkens net lang genoeg schijnt om ons niet tot bak- en braadvlees te herleiden, niet? En Inge? Die valt naar gewoonte weer zittend in slaap terwijl ze Wim komt gezelschap houden. Voorbij de grote steenfabriek wordt de verkeerssituatie er niet beter op: daar liggen voor de sluis (s18) al twee wachtende collega's die op hun beurt de aak moeten laten voorgaan, zo zegt het verkeersreglement. Kort samengevat heet dit 'werk voor plezier'. Nadat de sluisdeuren zich achter onze collega's gesloten hebben, springt het verkeerslicht (jawel!) correct op rood, een toestand waarin een half uur lang absoluut geen verandering komt. Weten wij veel dat enkele meters verder dan de plaats waar wij dobberen, een detector in de kanaaloever verscholen zit, die het sluismechanisme in werking zet? Dat ontdekken we pas, als Wim het wachten beu wordt, even verder vaart en de sluislichten plots op rood/groen springen, wat zoveel betekent als 'de sluis maakt zich klaar voor jou'. En inderdaad: enkele minuten later varen we ongehinderd binnen om een schamele 131 centimeter lager gebracht te worden. Vroeger was dit een dubbele sluis, maar nu bevindt de tweede sluiskom zich achthonderd meter lager.
Voor deze laatste sluis van het kanaal (s19) is het lachen geblazen. Er is een houten wachtsteiger die bezet wordt door enkele zeeyachts waarop druk gesticulerende zeerotten, die met gespeelde nonchalance hun kostbare maar door de spitse bodem kwetsbare bezit tegen de balken trekken. Meewarig werpen zij een blik op onze platbodem, die de oceaangolven niet kan trotseren. Wanneer de sluisdeuren opendraaien nemen zij bovendien 'zeeën' van tijd om af te meren en de sluiskom in te varen, zoals het een ware kapitein betaamt. We bekijken deze acteurs iets of wat meewarig vanachter onze 'Ricards' en genieten even later van de volle ontplooiing van het schouwtoneel. De derde kapitein maakt op zijn dode gemakje los, werpt een blik naar de denkbeeldige einder, en neemt als een ruwe zeebonk waardig achter zijn roer plaats. Vervolgens schuift hij de gashendel echter met een wat al te hevige ruk in zijn achteruit. Zijn yacht stoomt schuin achteruit naar de andere oever en raakt hierbij onbestuurbaar. De kapitein veinst kalmte onder onze geamuseerde ogen en gooit zijn schip keihard in zijn vooruit … wat je nou net niet moet doen als je kort wil draaien. Resultaat: zijn spitse boeg knalt keihard tegen de steigers. Onze hoofdrolspeler knalt er -eindelijk- een minstens even luide 'merde' achterna en sukkelt rood aangelopen uiteindelijk toch de sluis in, zonder ons nog recht in de ogen te durven kijken. Jaja, hoogmoed komt voor de val, nietwaar?
Wij drinken er nog
een pastis op en schuiven een
kwartiertje later zelf de sluis in, waar
zowaar een 'bureau de déclaration'
gevestigd blijkt te zijn. De bewoner
ervan -de sluiswachter- neemt zijn job
ernstig en speurt naar naam en
registratienummer van ons bootje.
Vervolgens moeten we onze 'Carte Orange'
voorleggen. We gooien het halve
interieur ondersteboven om de kaart te
vinden, want deze plichtsbewuste
VNF-bediende wil ons onder geen beding
laten verder varen, als we het onding
niet vinden. Uiteindelijk blijkt het op
de voorruit gekleefd te zijn! Eindelijk
wordt het sluismechanisme in werking
gesteld, maar nog is de man niet
tevreden, want hij staat alweer van de
sluismuur naar ons wegzakkende bootje te
roepen. Blijkt dat het ook tot zijn
jobinhoud behoort om ons twee -jawel:
twee- vuilniszakken ter hand te stellen.
Uit de bedrukking maken we op dat die
ervoor zullen zorgen dat duizenden
kilometers verder de dolfijnen onze
rommel niet zullen inslikken. Jawadde.
Bij het uitvaren van
de sluis verlaten we meteen het kanaal
en valt de rivier zelf de eer te beurt
om ons anderhalve kilometer verder de
Seine in te gidsen. We zoeken naar een
aanlegplaats voor de nacht, zodat we op
ons gemak Moret-sur-Loing kunnen
bezoeken, een pareltje van een dorp
langs de rivieroevers, dat de gevierde
landschapsschilder Alfred Sisley op vele
doeken vereeuwigde.
Maar de brede rivier
ligt volgepakt met zij-aan-zij gemeerde
rivieraken met bonkige binnenschippers
en hun dito vrouwen. Deze wondere wereld
van droogdokken en scheepswerven met
amechtige aken die wachten op een tweede
adem vormt een ware cultuurschok,
wanneer je het intieme karakter van een
oud kanaal gewoon bent.
We kijken onze
ogen uit, maar voelen ons de vreemde
eend in de bijt en tuffen de Seine op.
Op deze machtige rivier worden de
emoties nog sterker: een volgeladen aak
die ons met een rotvaart voorbij stoomt,
wachtende rijen van zes tot zeven dik
bij een benzinestation voor deze
mastodonten en elektriciteitscentrales:
het is ons pakkie-an niet. Op de rivier
zelf is het echter ontzettend rustig,
zodat we in alle rust enkele
stijlfiguren kunnen uitproberen. Een
minuscuul zwart driehoekje op een paal
in het midden van de rivier wil ons voor
iets waarschuwen, maar Wim heeft geen
flauw idee voor wat. Dan maar in zeven
haasten de vaargids opgediept, die
verklaart dat we dat signaal aan
stuurboord moeten houden als we
stroomopwaarts varen. Goed idee, want er
ligt een grote zandbank achter.
Het begint nu te
regenen, zodat we ijlings de vlucht
nemen van het bovendek en ons binnen
opwarmen bij een kop pompoensoep en ook
Wim daar de boot verder bestuurt. We
komen bij een splitsing die niet
aangegeven staat op de vaarkaart, zodat
we uiterst behoedzaam verder, het
incident van het 'aan de grond lopen'
van het vorige jaar indachtig. De kaart
van de hele omgeving lijkt echter niet
te kloppen, zodat er iets anders aan de
hand moet zijn. Blijkt dat we veel
minder ver gevorderd zijn dan we
verwachten: het grootste deel van onze
maximale snelheid wordt immers teniet
gedaan door de stroomsnelheid van de
Seine. Zo lijkt het dus we lekker door
het water klieven, maar ten opzichte van
de oever varen we aan een
slakkengangetje. Het kost ons dan ook
het dubbele van de tijd om de afstand te
overbruggen.
De omgeving is
inmiddels echter weer prachtig geworden
met dichtbegroeide oevers en zacht
klokkend water, zodat we ons weer wat
meer 'in ons sas' voelen dan daarnet.
Die uitdrukking blijkt ongelukkig
gekozen als links voor ons het enige sas
opdoemt dat we op deze rivier zullen
nemen. We ontwaren een rood licht dat na
het nodige wachten groen wordt, maar
meteen weer rood. Zo gaat het een poosje
door, waarbij het 'groene' interval wel
telkens langer schijnt te worden. Wim
kiest dan ook eieren voor zijn geld en
vaart het e-nor-me sas in, waar we
moederziel alleen aanmeren aan de 180
meter lange sluismuur bij een breedte
van zestien meter! We voelen ons Klein
Duimpje als we door de gigantische
bovendeuren de vrijheid weer tegemoet
varen.
Zo komen we even later bij
Montereau-faut-Yonne, waar de Yonne zich
in de Seine werpt. Eigenlijk is het net
omgekeerd, want het debiet van de Yonne
is hier groter dan dat van de Seine,
zodat het ook eigenlijk de Yonne is die
door Parijs stroomt. Die ontspringt
nabij Château-Chinon en werpt zich 280
kilometer verder in de Seine. Zij wordt
sinds mensenheugenis gebruikt voor het
vervoer van hout dat gekapt werd in het
gigantische Morvan-woud. Dat loopt niet
van een leien dakje, omdat de rivier
bezaaid ligt met rotsen en in de
zomermaanden soms nog geen dertig
centimeter diep is! De scheepjes kunnen
slechts een derde van hun capaciteit
gebruiken zodat er moet overgeladen
worden bij de aansluiting op de Seine.
Tot overmaat van ramp zijn er dan nog de
vele molenaars die de rivier afdammen om
water naar de schepraderen te leiden en
de hevige overstromingen in de lente.
Die spoelen trouwens ook telkens de
eerste schuchtere verbeteringswerken weg,
zodat de toestand eeuwenlang blijft
zoals hij is.
Het is pas wanneer
het ‘Canal de Bourgogne’ en het ‘Canal
du Nivernais’ volledig operationeel
zijn in de eerste helft van de
negentiende eeuw, dat men niet langer
lijdzaam kan toezien en een
rechttrekking van de Yonne noodzakelijk
wordt. In 1840 starten de werken met het
bedwingen van de rivierbedding, de
aanleg van enkele stroken waar de rivier
te wispelturig is, en de aanleg van
grote sluizen.
Tussen de pijlers van een brug die versierd is met de nodige navigatieborden (o.a. twee ruitjes, die eigenaardig genoeg aangeven dat hier eenrichtingsverkeer geldt) varen we de Yonne op. Dit eerste rivierstuk is een verwarrende mengeling van groene bossen links en fabrieken met steenhopen rechts. We leggen aan bij een grote steiger net voor de sluis van Cannes (s17), wel wat saai maar des te gemakkelijker. Even later dendert een tachtig meter-combinatie van aak met duwbak op ons af, en schuift met behulp van zijn boegschroeven moeiteloos voor ons in. Wim gaat met de fiets op zoek naar een restaurant, maar keert vruchteloos weer. Inge telefoneert het restaurant uit ons gidsje, waarvan de eigenaar de weg begint uit te leggen. Tot hij plots vraagt met hoeveel we zullen komen en het door ons opgegeven aantal voldoende blijkt te zijn om ons te komen afhalen! Even later komt een toeterend groen bestelwagentje de brug overgereden. Wim en Inge kunnen voorin, maar de anderen moeten in de laadruimte die naar stof en natte honden ruikt. Het restaurant zelf -de 'Boule d'Or'- blijkt van eigenaar veranderd te zijn en is nu een wegrestaurant voor truckers, waar een ongelooflijk onaantrekkelijk vrouwmens de plak zwaait. Zij stelt het menu voor dat vandaag bestaat uit paella of … paella. Maar wat dan met Wim die allergisch is voor schaaldieren? Met de nodige tegenzin wordt het de gezamenlijke groep toegestaan uit te wijken naar het alternatief, dat bestaat uit hesp met maderasaus en frietjes. We vrezen het ergste voor dit hoofdgerecht als we van onder een besmuikt glazen bakje ons koude voorgerecht wegplukken. Groot is de verbazing als dit nog behoorlijk lijkt mee te vallen, zodat we met alle plezier de amper zestig franse frank betalen voor het volledige menu, inclusief kaas en dessert!
Als slot van deze avond wacht ons wel een koude douche omdat "de kleine de wagen genomen heeft om uit te gaan" en er voor ons niets anders opzit dan de benenwagen te nemen terug naar de rivier. Onder een dreigende hemel die hel oplicht van de bliksemschichten komen we net op tijd bij de boot, wanneer de hemelsluizen zich openen.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |