Dag 6 : Over de Yonne naar Pont-sur-Yonne

 

Terug naar het menu van het vakantieverhaal Naar dag 7

 

De schipper van het dubbele vrachtschip dat voor ons ligt, voert gelukkig geen race tegen de klok, want hij laat de dieselmotoren pas warmdraaien om acht uur. Maarten en Alexander maffen ongestoord verder, zelfs wanneer een uur later nog zo'n gevaarte ons raampje voorbij dendert.

Na het cornflakesontbijt op het bovendek varen we rond de klok van tien de gigantische sluis in. Als enig bootje in een sluis van bijna honderd meter lang bekruipt ons meteen weer datzelfde nietige gevoel van in de sluis op de Seine. De vijfentwintig sluizen die ons scheiden van Auxerre zijn alle van deze reuzenmaat. Bovendien hebben ze een of meer schuine wanden, die vrij onhandig zijn bij het versassen. Gelukkig varen wij stroomopwaarts, zoniet was het een gekraak van jewelste als het water wegzakt onder de boot die over de schuine wand naar beneden glijdt. Een alternatief is dan langszij te liggen bij een aak, maar die zijn niet altijd voorhanden. Maar goed, voor de zeeyachten met hun schuine wanden en twee schroeven zijn deze sluizen een ware marteling. Bovendien kan je onmogelijk voorspellen aan welke kant van een sluis die met gesloten deuren op je ligt te wachten, de schuine kant schuilt. De touwen moeten de komende dagen dan ook vaak in allerijl van kant verhuizen. Inge, die aan wal tot bij de sluis stapte, klaagt daar dat ze absoluut onmogelijk weer op de boot geraakt. Groot is haar verrukking als even later het wassende water de boot netjes langsheen de schuine kant tot voor haar lieftallige voetjes schuift. Dat gebeurt wel met de nodige turbulentie omdat dit kanaalstuk geoptimaliseerd werd voor de beroepsvaart en de sluizen zich vullen via deurschotten.

Het is vandaag een wat grijze dag met af en toe een enkel drupje. Er heerst wel een aangename temperatuur van twintig graden, maar daar merk je op deze brede rivier weinig van, zodat schipper Wim gehuld in een dikke pull en een 'Kway-tje' het bovendek trotseert. Hij moet een extra brilletje opzetten bij de sluis 'Labrosse' (s16) om het zwakke groen licht te ontwaren dat hem toestaat de sluis in te varen, alwaar een zure sluiswachter ons vanuit zijn duivenhokje versast. Langsheen donkergroene oevers, getooid met een grote verscheidenheid aan loofbomen gaat het naar de sluis Barbey (s15), waar we bij het uitvaren naar collega's uit Zelzate zwaaien. Naast een groepje in het water spelende tieners leggen we aan in Misy-sur-Yonne, een klein dorpje maar wel gezegend met een slager, een bakker én een kruidenier.

Een fietstochtje, waarin Tanja 'plat' rijdt, brengt echter aan het licht dat er géén bakker is, dat de slager zijn winkel definitief gesloten heeft en dat de 'mini-marché' te huur staat. Geïnteresseerden worden verzocht zich aan te melden op het gemeentehuis … Ontmoedigd fietsen we terug naar de rivier, tot we bij een 'Tabac'-winkel een man zien met enkele broden onder de arm. Inge vraagt hem waar hij die gekocht heeft, waarop deze antwoordt dat ze dat maar moet vragen aan de cafébazin. Die antwoordt op de hernieuwde vraag alleen met een "Waarom?". "Omdat we geen bakker vinden, mevrouw", luidt het antwoord. Waarop zij: "Hoeveel zou u er dan kopen?". Op Inges antwoord ("vijf") antwoordt zij dan weer: "Dat gaat niet, maar met vier zou ik u kunnen depanneren", waarop ze die zonder verder omhaal uit de achterkamer opdiept. Zouden wij een handel in zwart brood op het spoor gekomen zijn? Werd het meel gerantsoeneerd? Is er broodverbod op zaterdag? Wij zullen het nooit weten, maar het brood zelf smaakt heerlijk bij de ravioli.

Steven schuift met een machtige zwaai het open dak open, terwijl hij op de rand staat en dondert net niet door het gat naar beneden. Jammer, want dit zou een perfecte piemelprijs geweest zijn!

Wanneer even later de zon doorbreekt, profiteert Maarten ervan om meteen de rivier in te duiken, voor we rond half twee weer vertrekken. Maar de sluis 'Port-Renard' blijft voorlopig gesloten, omdat men er wacht op een vrachtschip uit de andere richting dat nog ongeveer een kwartier ver is. We duiken dan maar met zijn allen in het water, varen bootje en geniet van het unieke spektakel dat Tanja biedt bij het weer aan boord klauteren. Maarten slaagt er vervolgens in om van een afstand van nog geen meter een badhanddoek finaal naast het rubberen bootje te werpen, van waaruit Wim mits een snelle actie de handdoek nog net kan opvissen voor hij in de dieperik verdwijnt.

Dit is waarlijk een sluis gebouwd door reuzenhanden, want 170 meter lang. Zelfs meer dan ruim genoeg voor de 'Fandango', het duwkonvooi dat er even later behoedzaam uitvaart én zelfs net ruim genoeg voor Inge die ons eigen bootje de kom inloodst. We varen nu door een vijf kilometer lang kanaal, waarbij de rivier ons langs rechts verlaat voor een erg bochtig traject en ons pas in Courlon weer komt vervoegen.

De sluis van Vinneuf (s13) merken we eerst haast niet op omdat ze net even breed is als het kanaal en de openstaande deuren zich verschuilen onder een brug. De twee vuile wanden van dit artificieel rivierstuk zijn bovendien zwaar bemodderd. Steven ziet zijn kans dan ook schoon, stapt af, neemt de touwen aan en gooit bemodderd terug. Hij treft Wim voluit, die nu druipt van het bruine goedje. Deze meldt de sluiswachter dan ook dat 'zijn' sluis wel heel erg vuil is. Waarop de brave borst, apetrots op zijn broodwinning, repliceert met een stem die trilt van verontwaardiging, dat dat zo is voor alle sluizen. Misnoegd wandelt hij weg en laat ons onze straf uitzitten: tergend langzaam loopt de sluiskom vol en ruim twintig minuten lang duurt het alvorens de bovendeuren openzwaaien. Daar worden we opgewacht door een 'viswijf' dat zijn vrouw blijkt te zijn en haar lijntje net hier moest uitgooien. Zij begint al te kallen dat we trager moeten varen nog voor we goed en wel afgemeerd hebben. Tja, dat is natuurlijk vragen om 'vol vooruit', waarop dan weer een tirade van scheldwoorden volgt, terwijl we voorbij denderen. Om half vier varen we voorbij de wachtsluis die ons weer in de rivierbedding brengt bij Courlon-sur-Yonne. Hier willen we even halt houden, maar de oever is bezaaid met stokken, bordjes en hekjes, zodat we het weinig uitnodigende stadje maar gewoon links laten liggen en door een prachtig stuk verder tuffen naar Pont-sur-Yonne.

Steven McGyver heeft geen oog voor het grootse landschap met prachtige doorkijkjes op velden en zachtglooiende heuvels achter de boomtoppen, bezig als hij is om de rubberboot op een perfecte manier vast te haken tegen zijn broer, de achtersteven (opgelet: humor!). Net voorbij een idyllisch kasteeltje wacht een sluis, met alweer een weinig gemotiveerde sluiswachter. Daar hebben ze er hier genoeg van; maar gelukkig hebben ze niet allen ook nog een zoon die op een knetterende autoped voorzien van een grasmachinemotortje op en af de sluismuur zoeft.

We leggen moederziel alleen aan bij het luxueuze drijvende ponton van Pont-sur-Yonne. Op het marktplein vertrekt net een toeterende trouwstoet van uitbundig versierde wagens met zo mogelijk nog waanzinniger uitgedoste feestvierders. We plukken de lokale supermarkten leeg, waarop Maarten weer een doos op het ponton uit zijn handen laat glijden en de inhoud in het water rolt. Hoera, de piemelprijs! Redders in nood zijn twee kinderen die de wegzinkende etenswaren weer opvissen, op een blik soep na. Zij worden beloond met een grote zak chips.

We besluiten niet hier te overnachten, maar even verder aan te leggen 'in de wildernis'. Dat blijkt geen dichterlijke overdrijving, want het door Wim uitgekozen plaatsje waar de spoorweg even afbuigt van de rivier, is ontoegankelijk door de dichte begroeiing. We twijfelen nog even om het bij een ordinair open plekje te houden, maar opteren dan toch maar voor een droomplaatsje tussen twee overhangende bomen. We verwijderen van het bovendek eerst de afgestorven dorre takken. Wim hangt hierbij plots met zijn armen rond de stam, terwijl zijn voeten boven de wegdriftende boot bengelen. Steven misrekent zich dan weer bij het afbreken van een dorre tak en dondert de 'badkuip' op de voorsteven in. Tenslotte slagen we er in het touw rond de boomstam aan de achtersteven te knopen, waarop Wim zachtjes in vooruit zet en Inge toeroept het touw te 'vieren'. Dat woord staat blijkbaar niet in haar West-Vlaams woordenboek, want ze trekt het touw weer strak, waardoor de boeg wegdraait op de stroom. Opnieuw beginnen dan maar!

Na vele manoeuvres geraken we dan uiteindelijk toch aangemeerd en ligt de boot bezaaid met takjes, bladeren en … insecten. Steven bindt resoluut de strijd aan met behulp van een gigantische bus insecticide, en verandert hiermee in een oogwenk het dek in een spekgladde skipiste. Omdat onze benen een eigen leven lijken te lijden, en omdat we vrezen dat de drijfstof het plastic zal verkleuren, zit er niets anders op dan alles er weer af te schrobben.

Maarten dobbert intussen wat rond op zijn bootje en scheept even later Wim in voor enkele foto's van de Espade bij valavond. Het avondmaal bestaat uit meloen met hesp gevolgd door sla met spekreepjes. Daarna neemt Steven weer zijn trouwe insecticidenbus ter hand en verzengt zijn kajuit van het giftige goedje. Rond halfelf vallen we uitgeput in onze nesten, maar even later breekt een hevig warmteonweer los en valt het water met bakken uit de hemel. Wim komt nat te liggen, twijfelt even aan zijn blaas maar ontdekt de boosdoener in de badkamer in de vorm van een open venstertje. Inges beautycase is inmiddels al tot de rand volgelopen, zodat Inge en Wim hun moede hoofdjes pas rond middernacht weer kunnen neervlijen.

 

Terug naar het menu van het vakantieverhaal Naar dag 7