|
Dag 7 : Musea in Sens en een rommelmarkt in Armeau |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
Het vergt 's morgens vroeg heel wat stuurmanskunst om ons uit onze aanlegplaats los te wurmen, maar met vereende krachten lukt het zodat we even na achten de sluis van Villeperrot (s11) zien opdoemen. Omdat ze halsstarrig gesloten blijft, zit er niets anders op dan even aan te leggen en een verkenner op pad te sturen. Die heet in dit geval Steven en omdat alles er hier verlaten bijligt, belt hij aan bij het sluiswachterhuisje. Het gerinkel sorteert effect: door het matte glas zien we een man zich in zijn broek hijsen en even later zijn kop buitensteken. Het ongekamde haar en de ongeschoren baard laten het ergste vermoeden. En inderdaad: naast de nodige verwensingen, brult de arme man ons toe dat de sluizen 's zondags pas om negen uur open gaan en dat hij dan bovendien vervangen wordt door een jobstudent. Met de nodige excuses deinst Steven achteruit en laat de man van een lange zondag genieten. Tja, oorzaak van dit hele misverstand ligt bij de rivierautoriteiten die om de haverklap nieuwe openingsuren voor de sluizen afkondigen, die verschillend zijn langsheen de route en zelden of nooit geafficheerd worden.
Om halftien schuiven
we de sluis uit en even later de brug
van een autostrade onder, waar de auto's
uit een andere wereld over scheuren. Wim
trotseert de elementen en bestuurt van
het bovendek, goed ingeduffeld tegen
motregen en wind. We stomen de sluis van
St-Martin in, de deuren zwaaien dicht en
even later … weer open voor een
collega die dan nog maar een stipje in
de verte is. Zo varen we in een
striemende regen en onder de nodige
donderslagen de stad Sens tegemoet, waar
we om elf uur aanleggen aan een mooie
kade net voor de brug. Op datzelfde
moment verjaagt het zonnetje de donkere
wolken en we trekken via de Hoogstraat
de aartsbisschoppelijke stad in, die tot
de Franse Revolutie één van de
hoofdsteden van het Christendom was.
De
straten ademen een haast middeleeuwse
sfeer uit en zijn afgezoomd met
pittoreske zestiende-eeuwse huisjes in
vakwerk.
Inge, de
geitenkaasprofeet, en haar twee
discipelen Steven en Tanja gaan zich te
buiten in de 'Renommé des Bons Fromages'.
Een uur in de wind stinkend trekken we
verder naar het centrum, waar een bezoek
aan het Gallo-romeinse museum volgens
onze reisgids
'absolument obligatoire'
is. En of ! Dit is fabuleus en uiterst
gevarieerd: ondermeer honderd vierkante
meter façade van de Romeinse thermen,
schitterende zesde-eeuwse mozaïeken, de
volledige uitzet van een Gallische
kapper en een goudschat met 240 bolle
muntstukjes uit de eerste eeuw, die twee
millennia later opgegraven werd bij de
heraanleg van de autostrade. In de
kelders voel je je haast Indiana Jones
als je tussen honderden 'stèles' sluipt,
gesculpteerde rechtstaande zerken die
het leven van de afgestorvene uitbeelden.
Een vrijgelaten gladiator, een smid in
zijn smidse, een liggend banket: het
lijkt wel een gigantisch en luguber
stripverhaal. En dit museum heeft nog
meer in petto: een onwaarschijnlijk
rijke kerkschat met goud, zilver en
ivoor alom en een unieke hermelijnen
koninklijke mantel.
In schril contrast hiermee staat een tijdelijke tentoonstelling van ene Biagio Pancino, die zijn kunstenaarsleven wijdt aan het beschilderen en het vervolgens laten verdrogen/verrotten van aardappelen, die vervolgens in een lijstje gehangen worden en voor waanzinnige prijzen het kunstatelier verlaten. Geef ons dan maar frietjes! Ach, de ruimte die tot de nok gevuld is met honderden vakjes waarin telkens één patat die gelijkt op een bekend personage, heeft wel wat …
De gotische
kathedraal, geroemd om zijn
architecturaal evenwicht en eenvoud, kan
ons dan weer niet echt bekoren. Groots,
ja dat wel, maar ook afstandelijk,
hoewel de doop van een kindje in een
zijkapel hieraan wat verhelpt. Het
kerkportaal kijkt streng op ons neer,
getooid met wel honderd heiligen. Maar
het sorteert niet het gewenste effect,
want zij raakten haast allemaal het
hoofd kwijt tijdens de beeldenstorm van
de Franse Revolutie. Langs de overdekte
markt, een metalen constructie uit de
vorige eeuw, keren we weer naar 'huis',
dat we om half twee weer de rivier
opsturen.
De volgende sluis
wacht ons met open armen op, zodat we
meteen bij de vlottende steiger bij een
van de schuine wanden kunnen vastmaken.
Even later komt er nog een aak aan, die
door de schipper behoedzaam bij in de
sluis gewurmd wordt, maar die daarna
uitvliegt 'dat hij voorrang heeft'.
Akkoord meneer, geen probleem, als we
zouden weten dat u eraan kwam. Ach, we
laten de man maar grommen, maar als echt
gastvrij zouden we de streek waar we de
laatste twee dagen doorvoeren, ook niet
meteen bestempelen. Het doet dan ons ook
deugd als de zeurpiet bij de volgende
sluis zelf moet wachten op een
pleziervaarder die de rivier afreist.
Achter ons kleurt de hemel inktzwart,
wanneer we de sluis van Etigny
binnenvaren, tezamen met de zeurkous en
een collega-pleziervaarder. Die meert
langs de aak aan, maar wij zijn nog
verontwaardigd om het onrecht van
daarnet en leggen aan bij de moeilijkere
schuine kant.
Het weer blijft
vandaag 'kwakkelen' en in een aangenaam
zonnetje tuffen we over een weinig
bochtig stuk zodat we eens kunnen meten
hoe snel we eigenlijk varen: met 150
meter per minuut komen we uit bij een
kleine negen kilometer per uur
stroomopwaarts. Geen snelheid om
gestresseerd van te geraken. De sluis
met daarachter Villeneuve is een waar
ansichtkaartje. Bovendien heeft de sluis
zelf een wat
erbevoorradingspunt, zodat
je gratis kan bijtanken tijdens het
versassen. En is de sluiswachter er een
van het alleraardigste soort, die vooral
oog heeft voor Inges mooie benen en ons
derhalve maar al te graag helpt.
Voorbijgangers grijpen dan weer de kans
om alles te weten te komen over
riviertoerisme en we vermoeden dat we ze
er behoorlijk warm voor gemaakt hebben.
Zo varen we iets voor vijven goedgeluimd
verder en vergast de Yonne, die hier een
stuk smaller wordt, ons meteen op
schitterende panorama's en lieflijke
eilandjes.
We wachten even bij
de sluis van Armeau (s5) en Maarten
profiteert hiervan om even een dip te
nemen en wat rond te dobberen op een
drijfplankje. We worden versast door een
'coole' sluiswachter met 'Crocodile
Dundee'-hoed en ontdekken dat Armeau net
vandaag zijn rommelmarkt houdt. Langsheen een bonte rij kraampjes op de
rivieroever zoeken we een plaatsje dat
net diep genoeg is om aan te leggen. Het
geluk van de kinderen kan niet op,
wanneer er zowaar ook een kermisje
blijkt neergestreken te zijn. We doen de
'patattenkunstenaar' van vanmorgen alle
eer aan en laten ons bij een mobiele
frituur afzetten door voor een minuscuul
frietbakje 25 Franse Frank neer te
tellen, weliswaar met gratis mayonaise
… Maarten en Alexander halen hun
hartje op op de botsauto's, terwijl Inge
en Tanja alvast naar de boot terugkeren,
want er hangt regen in de lucht. En ja
hoor, enkele minuten later openen de
hemelsluizen en spurten de 'mannen' naar
droger oorden, terwijl een straalbezopen
man op een brommertje minutenlang
doorgaat een hoop vuilniszakken aan
stukken te rijden, wanneer hij probeert
zijn vehikel uit het natte gras te
loodsen. Druipend strompelen we de boot
op, waar de wind lelijk huisgehouden
heeft en ons dakterras van het bovendek
gezwiept heeft.
Met een glas
champagne in de hand leggen we voor de
nacht aan net voor de brug van
Villevalier (k42) onder een rij
overhangende bomen, zodat Steven alvast
zijn trouwe insecticidenbus bovenhaalt.
Voor we via de brug naar Saint-Julien-du-Sault
op zoek gaan naar een restaurantje,
trekken we naar de kapel, die hoog boven
het dorpje uittorent. Het is het enige
overblijfsel van een versterkte burcht,
waarvan ook de vestingmuren nog bewaard
bleven. Wim en de kinderen vatten de
tocht per fiets aan, de anderen te voet.
Na een vermoeiende klim loont de kapel
met het weidse zicht op de Yonne-vallei
bij valavond echter absoluut de moeite.
We genieten op een bankje van de rust én van onze jonge stuntmannen die zich met ware doodsverachting van de heuvel storten. Alexander weet dan nog niet wat hem enkele dagen later te wachten staat … Daarna gaat het weer heuvelafwaarts, maar in het dorpje blijken alle resto's gesloten op zondagavond. De gids heeft blijkbaar ook vrijaf want we lopen/fietsen bijna een uur in een cirkeltje rond de kerk voor we na tienen ons bootje eindelijk weervinden. Het noodmenu bestaat uit pasta met steak en appelmoes (tja, nood breekt wet). Doodmoe valt Alexander al aan tafel in slaap, maar de anderen gooien zich meteen na het diner ook uitgeput op hun brits.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |