|
Dag 10 : Châtel-Censoir ... |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
Onder een staalblauwe lucht meren we rond half negen af en varen de openstaande schutdeuren van Prégilbert (s68) door die toegang geven tot een bevaarbaar rivierstuk. Het bovendek wordt grondig gekuist door Tanja, terwijl Inge het benedendek onder handen neemt en Steven zich nog een laatste keer omdraait in zijn bed. In de eerste sluis van de dag (s67) werpt Inge nog maar eens de touwen in de sluiskom die bijzonder hevig en snel vult. Het volgende kanaalstuk ligt bezaaid met slapende bootjes of 'dikke-ogen'-bootjes van feestvierders. Bij een wel héél laag bruggetje laat Wim het parasolletje maximaal zakken en vraagt dan aan Inge die naast hem zit of we er zo onderdoor kunnen. Inge trekt daarop de parasol achteraan omlaag om beter te kunnen zien, waardoor uiteraard de parasolkant meteen een halve meter hoger hangt. Wim krijgt een hartaanval, maar slaagt er nog net in de parasol weer recht te zwiepen voor hij van het bovendek gerukt wordt …
Langsheen het
schattige Mailly-la-Ville dat als een
lint tegen het kanaal aangebouwd is in
de kom van een heuvelrug, waar de rivier
even 'aantikt' bij het kanaal, gaat het
over een hoefijzervormige kanaalstrook
naar Mailly-le-Château, waar we
aanleggen in het haventje. We luieren
wat bij een aperitief en vatten dan de
lange klim langsheen een rotspaadje naar
het dorpje aan. Ook hierin er zoals in
Auxerre een kapelletje ter ere van
Sint-Nicolaas als 'patron des gens de
rivière' bij een idyllische zijarm van
de Yonne. Het uitzicht boven is
spectaculair met de rivier en het kanaal
die mekaar speels achternazitten als ze
zich een weg banen doorheen dezelfde
vallei. Het dorpje zelf is niets
bijzonders, zodat we weer afdalen en de
kinderen nog wat in het water kunnen
plonzen.
Bij een kop
pompoensoep met stokbrood gaat het na de
middag verder naar de sluis Ravereau
(s60), waar de artistieke sluiswachter
er een expootje op nahoudt, maar van
schutten niet vee
l kaas gegeten heeft,
want hij zet de bovenschotten al open
terwijl de onderste nog niet gesloten
zijn! Na een kort en kaal kaarsrecht
kanaalstukje varen we via de wachtsluis
van Mailly (s59b) de rivier weer op om
meteen aan bakboord de 'Rochers du
Saussois' te zien. Dat is een
indrukwekkende canyon-achtige
krijtrotsformatie van vijftig meter hoog,
waar de rivier zich doorheen geslepen
heeft. Er hangen een tiental klimmers
tegenaan geplakt, van aan de andere
oever gadegeslagen door de campinggasten.
Het is hier overigens vrij druk, want om
het kwartiertje kom je wel een boot
tegen. Nu ja, 'druk' is dan misschien
niet de juiste woordkeuze … Langsheen
een versmalling waar de rivier het
kanaal raakt, gaat het naar de sluis
Magny (s58), waar de sluiswachtster haar
liefde voor haar trouwe viervoeters niet
onder stoelen of banken steekt. Ze zijn
er in alle merken, maten en gewichten en
produceren een kakofonie van geblaf in
vele toonaarden.
Onmiddellijk na de
sluis van Châtel-Censoir gaat het
scherp over stuurboord de havenkom in.
Het dorp dat van een heuvel het kanaal
en de rivier overschouwt, heeft een
mooie kerk met een elfde-eeuws koor met
daaronder een intieme crypte. En bovenal:
het is er fris! We struinen wat rond in
het centrum en zien beneden in de vallei
ons bootje liggen. Op zoek naar een
bakker klauteren we niet via de steile
voetweg weer naar beneden, maar langs
een helling die om het dorp heen loopt.
De kinderen stuiven er vandoor op hun
fietsen, terwijl ze paniekerig achterna
geroepen worden het kalmaan te doen. Wim,
die ook met de fiets is, heeft een naar
voorgevoel en vliegt er achteraan. Op
het moment dat hij een flauwe bocht
neemt, hoort hij een doffe klap:
Alexander staat met zijn fiets geklemd
tussen een auto en het huis waar die
dicht tegenaan geparkeerd staat. Het
kind is de controle over zijn stuur
verloren en heeft met zijn linkerpink
zijn volle gewicht afgeremd tegen het
achterlicht. De gevolgen zijn
verschrikkelijk: zijn vingertop bengelt
nog slechts aan een klein vleeslapje en
spuit bloed. We duiken het huis in, waar
de dorpsdokter praktijk houdt, maar die
is afwezig. Door het tumult komt zijn
vrouw aangelopen, die ons
doodgemoedereerd vertelt in het dorp een
taxi te gaan bellen. Schandelijk! Maar
ze zal wel behoorlijk wat werk hebben om
de bloedvlekken schoon te schrobben: net
goed. Intussen heeft Steven zijn nieuwe
witte T-shirt uitgetrokken, waarmee Wim
het vingertje zo goed en zo kwaad als
het kan, samen klemt. De eigenaar van de
auto staat er inmiddels ook bij en
blijkt de dorpsapotheker te zijn, die
ons meteen in zijn auto duwt en ons naar
de meest nabijgelegen kliniek voert.
Steven en Tanja trekken samen met de
doodongeruste Maarten weer naar de boot.
Na een rit van een halfuur zijn we bij het hospitaal van Clamecy, waar het personeel van de eerste hulp ons op bijzonder professionele manier opvangt. De apotheker-chauffeur wacht intussen urenlang in de auto, tot blijkt dat Alexanders vinger moet geopereerd worden onder volledige anesthesie. Dan nog wil hij pas vertrekken als we plechtig beloven hem vanavond weer op te bellen, zodat hij ons kan terugbrengen naar zijn dorp. We begeleiden Alexander naar een kamer, waar hij moet wachten op een spoedoperatie van een man die net het hospitaal binnengebracht werd. Het ventje houdt zich verschrikkelijk kranig en slaagt er zowaar nog in om grapjes te maken en in al zijn miserie te vragen of zijn papa niet te veel rugpijn heeft van de slechte stoel! Om acht uur begint het bange wachten en het ijsberen door de lege gangen terwijl Alexander onder het mes gaat. Na anderhalf uur zwaaien de deuren van de operatiezaal eindelijk open en komt de chirurg verslag uitbrengen. Het is een bijzonder delicate operatie geweest omdat er slechts een klein bloedvaatje en één zenuw als verbinding overbleven. De arts begint vervolgens in geuren en kleuren te vertellen wat er nog allemaal kan gebeuren tijdens de volgende dagen, waarbij de woorden 'necrose' en 'huidtransplantatie' net iets te vaak vallen voor de arme Wim, die het licht ziet uitgaan en net op tijd tot bij de buitendeur kan strompelen om frisse lucht in zijn longen te zuigen. We spreken met de chirurg af voor een controleonderzoek morgen om vijf uur, want dan kan de prognose voor het verdere genezingsproces met grotere zekerheid gesteld worden.
We duwen Alexanders bedje naar de kamer waar hij verder bijkomt van de anesthesie. Geen haar op ons hoofd denkt eraan om hem hier vannacht alleen te laten, maar de pinnige hoofdverpleegster is niet te vermurwen: het manneke moet en zal eerst een potje natuuryoghurt leeglepelen zonder te braken. Maar als er nu iets is wat Alexander niet lust, is het wel … natuuryoghurt. Met een gezicht als moest hij een bak citroenen verorberen, worstelt hij zich tot halverwege de bodem, maar dan smult Inge de rest snel op. Afspraak is afspraak, dus even later roepen we onze reddende engel telefonisch op en rijden we over bochtige wegen weer naar Châtel-Censoir, waar het weerzien van de twee broertjes beiden zichtbaar deugd doet.
De apotheker Guy
Salvado vindt intussen geen europees
aanrijdingformulier maar stelt zich al
meer dan tevreden met een vodje papier
met onze coördinaten en de belofte dat
we de schade zullen vergoeden, die hij
later wel zal rapporteren. Blijkt die
bij onze thuiskomst nog geen 5000 frank
te bedragen, want 'die krassen waren er
anders toch ook opgekomen'. Er zijn
voorwaar nog mensen met het hart op de
goede plaats. We sturen hem als dank
mooie fotoboeken van de Vlaamse
kunststeden, waar hij een fan van is.
Het bedankkaartje dat we in retour
krijgen, hangt maanden later nog steeds
boven Alexander zijn bed !
Uitgeput door de emoties vallen we in een onrustige slaap, waarbij Alexander naast Inge in het dubbelbed gelegd wordt om te verhinderen dat hij zijn vinger tijdens een van zijn talrijke slaapwandelingen verder zou bezeren. Wim kampeert vannacht op een bankje in de woonruimte. Om het geluk helemaal aan onze kant te zetten, contacteerde hij intussen Annemie en gezamenlijk besloten zij hun jongste zoon te repatriëren, zodat hij 's anderdaags nog ter controle naar het universitaire ziekenhuis van Leuven kan. Annemie vertrekt bij het ochtendgloren afspraak 's middags in Coulanges-sur-Yonne, tien kilometer en zes sluizen verder.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |