|
Dag 11 : Clamecy de stad van de houtvlotters |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
Om stipt acht uur
lichten we dan ook het spreekwoordelijke
anker om zeker niet te laat op de plaats
van afspraak te arriveren. We
doorploegen de ochtendnevel boven het
kanaal en worden gevolgd door een
collega die ook in het haventje
overnachtte. Bij de eerste sluis 'La
Place' (s56) staat de vriendelijke
sluiswachtster ons al op te wacht
en
temidden van de uitbundige bloemenzee
die haar omringt en waartussen ze
ontelbare kaboutertjes neergepoot heeft.
Zelfs op dit vroege uur is het zonnetje
al van de partij en worden de shorts
meteen bovengehaald. Onze gevleugelde
vrienden willen blijkbaar allemaal
Alexander uitwuiven, want we ontwaren
nog maar net een 'oe-hoe'-ende uil of er
klapwiekt een blauwe reiger voor ons weg
! Daarna is het genieten van het mooie
kasteel van Faulin nabij de sluis 'Lucy'
en glimlachen bij het bordje 'Verboden
slakken te verzamelen' . Bij de volgende
sluis houdt net een rijdende bakker halt
en slaan we de nodige stokbroden in.
Op dit rivierstuk
weerklinkt regelmatig de roep van
stuurman Wim, die waarschuwt voor alweer
een erg laag bruggetje, waar iemand die
op
het bovendek zou blijven rechtstaan
anders tegenaan zou knallen. Zo eentje
vind je ook voor de wachtsluis Bèze
(s53b), waar de rivier even aantikt bij
het kanaal om dat via een bres van water
te voorzien en meteen de sluis 'Crain'
volgt (s53). Even verder is er zowaar
een verkeersopstopping als een vloot van
vier pleziervaarders aanlegt net voor de
sluis van Coulanges (s52). Wijzelf meren
aan in de haven, met het nodige geluk
net op de enige plaats die diep genoeg
is, want als twee andere boten willen
vertrekken, is het een geploeter en
geduw van jewelste. Een roodaanlopende
Vlaamse kapitein geeft zijn zoons de
volle lading omdat ze niet dapper genoeg
meewerken bij zijn verwoedde
bevrijdingspogingen en het doorploegen
van de kanaalbodem. We genieten nog van
het schouwspel als Annemies cabrio
gesignaleerd wordt.
Zij komt op het
bovendek weer op krachten bij een
gevulde tafel om nog geen uur later de
terugreis
aan te
vatten. Alexander laat
de traantjes vloeien terwijl hij 'dag'
wuift van de achterbank en zijn grote
broer verweesd achterlaat. We
organiseren meteen een keilwedstrijd om
het leed wat te verzachten en vertrekken
op het middaguur, zodat Maarten even
verder aan de slag kan bij de eerste
ophaalbrug van het traject … maar
zeker niet de laatste ! Die vormt meteen
ook het eerste wapenfeit in het
departement dat we binnenvaren. "L'Yonne
est mort, vive la Nièvre!" Hier
ligt ook het eerste 'lavoir' (een
openbare wasplaats) van het kanaal, dat
van het gehucht Pousseaux, waar de
kleren schoongewreven werden op de
gladde boordstenen en gespoeld in het
zuivere kanaalwater.
Wij leggen er aan de
andere oever aan voor de middag, want er
is een waterpunt, dat we met de nodige
moeite vinden, verstopt in een
inspectieputje. Maarten zorgt ervoor dat
er water in de slang komt ondanks de
defecte aansluiting en Inge bekommert
zich dan weer om de uitloop, een job die
nauwelijks enige energie vergt. Door een
vergetelheid werd onze boot achteraan
niet vastgemaakt en drift hij zachtjes
weg, wanneer Steven wil opstappen. Hij
twijfelt even: net een fractie van een
seconde te lang zodat hij zich wijdbeens
boven de rivier bevindt en zijn keuze
beperkt wordt tot uiteenscheuren of met
zijn hele hebben en houden in de rivier
plonzen. Gelukkig voor Tanja kiest hij
voor deze laatste optie én is hijzelf
een piemelprijs rijker.
Intussen is het moordend warm geworden en wordt met de waterslang een waterballet georganiseerd. We maken er meteen ook dankbaar gebruik van om ons straks eens niet in een eng kokertje te moeten inzepen en af te spoelen met slechts enkele liters water. De waterstraal is echter ijs- en ijskoud: Inge gilt Pousseaux en de wijde omstreken wakker en fascineert door de spastische bewegingen en het vluchtgedrag dat zij etaleert. Maarten staat erbij te grinniken.
In een loodzware
warmte varen we daarna doorheen een
ronduit afgrijselijk kanaalstuk, droevig
resultaat
van een 'réaménagement du
canal' : betonnen oevers met daarnaast
een jaagpad uit asfalt respectievelijk
grind. Hopelijk eist de natuur gauw haar
rechten weer op en overwoekert ze alles
weer zoals het hoort. Gelukkig wordt het
kanaal snel weer het oude en krijgen we
als zoenoffer een knappe versterkte
hoeve gepresenteerd aan bakboord.
Gewaarschuwd door de vaargids voor de
mogelijk sterke stroming op de plaats
waar de Yonne ons kanaal op hetzelfde
niveau dwars kruist, geven we vol gas op
het moment dat we de wachtsluis verlaten
om aan de overkant de openstaande sluis
van Basseville (s51) in te stomen. Maar
het karige zomerdebiet van de rivier
geeft niet het minste probleem.
Een kilometer voor
Clamecy volgt een eigenaardig manoeuvre,
omdat het kanaalpand naar Clamecy om de
een of andere duistere reden niet langer
gebruikt wordt en de sluis die die
strook bewaakt dan ook buiten gebruik
is. Je moet hier over bakboord een
smalle wachtsluis door, waarna je naast
een lange dam de rivier opgeleid wordt
en onmiddellijk over stuurboord een
eiland voorbijvaart. De onzekere
kapiteins worden geholpen door een
alleraardigst bordje in het midden van
de rivier, waarop een naïeve tekening
van een schip met een pijl prijkt. Hier
is de omgeving werkelijk adembenemend:
dicht groen alom, links een heuvelrug:
je waant je in de diepe Ardennen!
Ongelooflijk dat je je op een boogscheut
van een grote provinciestad bevindt. Bij
de sluis van Clamecy (s47) gaat Steven
aan wal om de sluiswachter een handje
toe te steken en ons weer naar het
kanaal te versassen.
Zo leggen we om een
uur of drie aan in de diepe schaduw van
een rijtje overhangende huizen op een
rotsplateau. In deze stad was het dat
Wim en Inge gisteren bange momenten
beleefden bij het ziekbed van Alexander.
Maar de stad veegt hier meteen de spons
over en toont zich op zijn mooist:
schattige straatjes, mooie pleintjes,
lieftallige huisjes in de typische
Bourgondische vakwerkstijl, een
mysterieuze kerk met een portaal dat wel
uit stenen kant lijkt gemaakt, het kan
niet op. We duiken een winkeltje in van
lokale specialiteiten, doen onze laatste
grote inkopen in de supermarkt en
Maarten besluit -zowaar zonder uren te
twijfelen- tot de aankoop van een
elektrisch autootje met het geld dat hij
van zijn sponsorende grootouders
gekregen heeft.
Clamecy is -naast een goede handchirurg (sic) - bekend om zijn 'flotteurs', waaraan een bronzen beeld op de hoofdbrug herinnert. Hout dat gekapt werd in de wouden van de hogergelegen Morvan-streek werd daar verzameld op de rivieroevers en gemerkt naargelang de eigenaar. Op vastgestelde dagen werden alle stronken in het water gegooid en de dammen weggenomen, zodat het hout tot in Clamecy of een van de naburige havens kon drijven. Daar werd het vanaf de helft van de zestiende eeuw samengebonden tot immense vlotten van 72 meter, waarna enkele van de 500 'vlotters' die in Clamecy verbleven, erop kropen om ze in negen dagen via Yonne en Seine naar Parijs te begeleiden. Zo werden Parijse kachels en schrijnwerkers jaarlijks met 70.000 ton hout gevoed. De schippers waren hier uiteraard niet laaiend enthousiast over, temeer omdat de rivier vaak letterlijk met hout gevuld was, zodat varen onmogelijk werd. In het begin van deze eeuw wonnen zij tenslotte het dispuut van de vlotters en zodat de stiel van deze laatsten naar het museum verwezen. Moderne communicatiemiddelen hadden inmiddels ook een bijkomende maar niet minder belangrijke rol van de vlotters overgenomen: die van boodschapper. Zij brachten immers op hun vierdaagse voettocht terug van Parijs naar de Nivernais het nieuws uit de hoofdstad mee. Tijdens de Franse Revolutie was Clamecy dan ook een van de eerste provinciesteden waar de revolutionaire ideeën ingang vonden. Temeer omdat haar inwoners vaak gevaarlijke en weinig benijdenswaardige beroepen uitoefenden, zoals die van vlotter, houthakker of scheepsmaat.
We luieren de rest van de hete namiddag bij een glaasje wijn, een babbel en een boekje en meren af om half zes, wanneer de hitte weer draaglijk wordt. De mooie plekjes volgen in hoog tempo: eerst het smalle kanaalpand parallel met een heuvelrug en vervolgens Armes, een dorpje aan bakboord dat van zijn heuvel lijkt afgegleden te zijn. En al die tijd houdt de rivier ons op enkele meters afstand gezelschap. De prijzen van het restaurant aan de waterkant zijn ons net iets te duur en bovendien hebben we alle ingrediënten voor een lekker avondmaal. Bovendien kondigen Steven en Tanja aan dat zij de organisatie volledig op zich nemen; aan Wim om een geschikte aanlegplaats te vinden.
Gek hoe je aan dit verouderde deel van het kanaal de grootste verscheidenheid aan draaisystemen voor de sluispoorten vindt: hier is het een eenvoudige verticale stang, waarrond je de kabel oprolt die op zijn beurt de zware sluisdeur opentrekt. Inge neemt bij de sluis 'Chantenot' (s44) de gelegenheid te baat om de onbetwiste eerste prijs weg te kapen in de wedstrijd 'gekke bekken trekken' en wordt hierbij op de gevoelige plaat vastgelegd. De sluiswachter zwengelt als een Rambo-op-speed aan de lier, zodat het water woest binnenkolkt en ons bootje over de woeste baren rolt. Wiehaaa!
In een verkoelend
avondbriesje vinden we nabij
kilometerpaal 108 de gedroomde
aanlegplaats: in het midden van nergens
werd zowa
ar een campingtafel neergepoot
bij glanzend nieuwe robuuste meerpalen.
Enkele tientallen meters achter ons
stroomt de Yonne onder een verweerd
stenen bruggetje, overwoekerd met gras:
voorwaar een idyllisch plekje! Het
GSM-gebiep maakt een plots einde aan
onze mijmeringen, maar het nieuws is
goed: Alexanders pink werd gekeurd,
gewikt en gewogen door de proffen van
plastische heelkunde van Leuven én OK
bevonden. We halen allemaal opgelucht
adem en na het aperitief storten we ons
met herboren eetlust op de 'pasta
carbonara', overgoten met de rosé wijn
die we enkele dagen geleden langs de
waterkant kochten. Het etensoverschot
wordt nuttig gebruikt wanneer een
voedselgevecht in regel uitbreekt en de
voedselkwakken door de lucht zo-even.
Maar het goedje weer uit je haar en
kleren krijgen, dat is andere … euh…
koek.
De avond wordt op het bovendek besloten onder een glinsterende sterrenhemel die hier niet verstoord wordt door enig kunstlicht, tijdens een urenlang gesprek over het heelal en de daaraan gekoppelde astrofysica. Wij reizen om te leren, nietwaar? Rond middernacht worden onze oogjes wel heel erg klein en vallen we moe maar voldaan in onze ledikanten, denkend aan Alexander in het verre België.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |