|
Dag 13 : |
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |
Om halfacht worden we wakker om te ontdekken dat de spinnen ons vannacht behoorlijk geteisterd hebben: hun venijnige beetjes nemen bovendien soms weken om te helen. Daarna heeft ieder zowat zijn eigen ochtendtaakje: Steven kuist de populierenblaadjes van het dek, Tanja en Inge wassen af en Wim haalt de ophaalbrug op ter hoogte van St-Didier. Dan volgen twee kort opeenvolgende sluizen (s37 & s36), waarvan Engelse collega's er zonet de eerste namen, maar op ons wachten voor de tweede. Meer nog: we mogen zowaar voorgaan, al hebben we een donkerbrui vermoeden waarom. Inderdaad: ook deze sluiskommen vullen zich turbulent, zodat we weer behoorlijk dooreen geschud kunnen verder. De sluiswachter rijdt mee naar de sluis van Châtillon, waar hij Tanja behulpzaam het natte touw recht in haar nek gooit …
Het kanaal wordt hier
wondermooi, ofschoon het op slechts
enkele meters van de spoorweg loopt.
Maar daar merk je niets van, omdat hij
door een dichte haag aan het oog
onttrokken wordt; bovendien hebben we al
die tijd geen enkele trein horen rijden!
We vertragen een tijdje zodat het kindje
van wandelaars op het jaagpad ons met
zijn driewielertje kan bijhouden, en
meren af in het haventje van Monceaux-le-Comte
met zijn dertiende-eeuwse kasteelruïnes.
Maar voor een bezoekje rammelen onze
maagjes te hard en als hongerige leeuwen
bestormen we de plaatselijke
kruidenierswinkel. Die verkoopt zowaar
zelfgemaakte geitenkaas en biedt ons
spontaan aan om onze aankopen bij het
kanaal af te zetten. Een gebaar dat
wordt geapprecieerd.
Langs twee
ophaalbruggetjes, doorheen de groene
tunnel van statige platanenrijen en via
wat sluizen (s34, s33) stomen we verder
zuidwaarts, waarbij enkel een plastic
stoel die van het bovendek waait en uit
het kanaal moet gevist worden voor wat
oponthoud zorgt. De ophaalbrug van
Chazel (k86) is er een van het roestige
soort: ze piept en kreunt en knarst bij
het ophalen, maar Maarten helpt door aan
de ketting te gaan hangen . Wim klimt er
dan weer bovenop om ze gemakkelijker
weer omlaag te krijgen. Even voorbij de
sluis 'Mortes' (s32), waar het kanaal
gevoed w
ordt vanuit de Yonne, leggen we
aan de rechteroever aan en genieten bij
de rivier van het zonnetje en van een
koud glaasje 'Melon' uit de kelders van
Tannay. Maarten en Wim dobberen wat rond
in de grote rubberboot en worden hierbij
van de andere oever nauwlettend
gadegeslagen door een kudde koeien.
Iets na enen zwaaien de deuren van de sluis 'Gravier' open, de eerste van een lange rij: vandaag zetten we zo slechts twintig kilometer op de teller met evenveel sluizen! Gelukkig zijn er nooit tegenliggers en is het heerlijk weer waarbij er even wat wolkjes voor de zon schuiven, telkens wanneer het net iets te warm wordt. De sluiswachtster van Chitry (s29) hult haar meer dan royale afmetingen in een blauwe bolletjesjurk en onderhoudt hulpsluiswachter-van-dienst Steven geruime tijd over de kwalen die haar teisteren. Met haar zegen maar met de waarschuwing dat het slechter weer zal worden als haar artritis het bij het rechte eind heeft, varen we een mooi kanaalpand in. De hefbrug (k83) even verderop wordt net opengedraaid door tegenliggers, waarna wij zoals het hoort de dienst na hen verzekeren. De pastis vloeit inmiddels alweer rijkelijk, terwijl Inge een lange dut doet op het bovendek, die zelfs door het watergeweld van de sluizen niet verstoord wordt.
In ons eigen ritme
klimmen we zo sluis na sluis de
waterscheiding tegemoet, die ons morgen
bij het eindpunt wacht: langs een
verlaten sluiswachterhuisje (s27) en een
dubbele sluis (s25-25) waarvan de
wachter ons verzekert dat enkel Belgen
een fooi geven.
Daarna gaat het via een
kaarsrecht en enkelrichting kanaalpand
naar het extreem lage bruggetje voor de
sluis 'Yonne' (s24). Die ontleent haar
naam aan het feit dat vanaf hier de
Yonne de schippers die stroomafwaarts
varen, gezelschap houdt. Maar omdat wij
net het tegenovergestelde doen, zwaaien
we hier het riviertje vaarwel. En ook de
supervriendelijke sluiswachtster, die
het niet onder de markt heeft met het
authentieke systeem waarmee de poorten
opengezwaaid worden: een massief
eikenhouten balk! Ook de omgeving
verandert in deze buurt dramatisch: weg
zijn de glooiende weiden, hier kijken we
aan tegen uit de kluiten gewassen en
dicht beboste heuvelruggen, waarvan de
valleien ons kanaal een onderdak geven.
Schrijver dezes vraagt de lezer overigens zijn excuus voor het gebrek aan accuratesse bij de beschrijving van de laatste zes sluizen. Oorzaak is de nimmer aflatende stroom pastis die, bij uitputting van voorraad, gevolgd wordt door donkere (Wim) dan wel blonde (Steven) trappist. De volgende sluizen (s21 & s20) liggen naast een fabriek waar stenen tot gruis gemalen worden, zodat het er behoorlijk stoffig is. Dat ondervindt ook Steven, die plat op zijn buik moet om een afgebroken fender uit de sluiskom op te vissen. Het stof wordt weggespoeld met een extra trappist, zodat de laatste sluizen van de dag met het grootste gemak opengedraaid en -geduwd worden. Om vijf uur leggen we lallend aan in de haven -niet meer dan een kanaalverbreding- van Sardy.
Na een korte 'chill-out' stappen we welgemutst naar sluis 16, waar een verwarde jongeman een restaurantje houdt dat hij -geheel naar eigen vondst- "A l'ecluse n°16" gedoopt heeft. Op weg erheen begint het plots dikke druppels te regenen en in de verte bliksemt het erop los. Als men bij onze nationale Tv-omroep nog eens een accurate zij het cosmetisch iets minder aantrekkelijke weervrouw zoekt, kan men altijd terecht bij de sluiswachtster van Chitry …
Het eten vanavond is OK, men zit hier niet verlegen om een glaasje pastis als aperitief en ook de cognac als wegzakkertje smaakt heerlijk. We worden zo laatste klant en leggen welwillend onze kredietkaart op het schoteltje met de rekening. Oeps: dit moet dat ene restaurant in Frankrijk zijn waar men nog niet van Visa en konsoorten gehoord heeft. De goedlachse eigenaar vindt het allemaal best grappig ("L'argent n'est pas important, messieurs, mesdames"…) en stelt voor om de kinderen als onderpand te houden (tja, het Dutroux-verhaal zindert hier nog na). Maar hoe we ook passen en meten met ons weinige Belgische geld en de 50 Franse Frank: we komen er niet. Voor de restauranthouder volstaat echter onze stellige belofte hem bij aankomst in België meteen een cheque voor het ontbrekende bedrag toe te sturen. Dat beloven we en we verhogen dat bedrag later met de bankkosten.
Na dit laatste avondmaal verlaten we welgezind het etablissement. Niet zo Wim, die nog net op de vrouwelijke wederhelft van onze bon-vivant stuit en wiens werkterrein de keuken beslaat. Vrezend voor de goede afwikkeling der financiële zaken, heeft zij zich immers van haar potten en pannen losgewrikt en krijgt onze arme metgezel een tirade van verwensingen naar het hoofd geslingerd. Als hij het vege lijf weet te redden en zich buiten vervoegt bij zijn kompanen, horen we binnen de veldslag met onverminderde heftigheid verdergaan, waarbij onze "maître d'hôtel" het mikpunt van haar hoon wordt.
In het aardedonker slenteren we weer naar ons bootje, waar we deze 'sluisdag' besluiten bij een natje en een praatje.
| Terug naar het menu van het vakantieverhaal |